Met wetgeving als stok achter de deur, moet onverantwoord ondernemen een halt worden toegeroepen. Laat de Tweede Kamer van minister Kaag eisen dat ze met die wetten komt, zeggen Michiel Servaes (Oxfam-Novib), Tuur Elzinga (FNV),  Peter d’Angremond (Fair Trade Nederland), Jannelieke Aalstein (ActionAid Nederland) en Ronald Gijsbertsen (SOMO).

Het debat vandaag in de Tweede Kamer met minister Kaag over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen biedt dé kans om een einde te ­maken aan misstanden, waaraan ook Nederlandse bedrijven zich schuldig maken.

Pressing Issues

De verantwoordelijkheid van Nederlandse supermarkten voor omstandigheden op Zuid-Afrikaanse wijnbedrijven

Alleen al in de laatste weken ­lazen we over baggerbedrijf Van Oord en ING, die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen in Angola. Nederlandse supermarkten verkopen wijn ­afkomstig van plantages in Zuid-Afrika waar vakbondsrechten met voeten worden getreden. SBM Offshore dumpte een ‘gifschip’ op de stranden van India. En de Nederlandse financiële sector investeert 12 miljard euro in olie- en gasbedrijven die boren op de Noordpool.

Vrijwillig overleg zoals in de convenanten die internationaal verantwoord ondernemen (imvo) via polderen stimuleren, heeft nog onvoldoende op­geleverd. Deze overlegtafels hebben weliswaar bewustwording en kennis opgeleverd, toch blijven er grote lacunes bestaan. Op zich geen verrassing, de convenanten staan in een lange traditie van vrijwillige initiatieven die geen echte verandering brengen.

Ze zijn onder meer beperkt in reikwijdte. Zo ging het onlangs alweer af­gelopen bankenconvenant niet over ­klimaat en corruptie en bleef vermogensbeheer buiten beschouwing.

Ook laten bedrijven zich vertegenwoordigen door brancheorganisaties met weinig slagkracht op imvo-gebied. De overheid, die deze overlegorganen faciliteert, toont nauwelijks ambitie om resultaten te boeken. En de echte achterblijvers op het gebied van mensenrechten en milieu, zoals olie- en baggerbedrijven, blijven volledig buiten schot – wie geen zin heeft in het naleven van een convenant, wordt daar door de overheid niet toe gedwongen.
Kom tot een doordachte mix van vrijwillige en bindende maatregelen

Er is méér nodig. De convenanten moeten worden aangevuld met een wettelijke plicht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo ontstaat een doordachte mix van vrijwillige én bindende beleidsmaatregelen met wetgeving die kaders stelt voor wat bedrijven moeten doen en met convenanten die helpen bij de uitvoering.

Nederland zou niet het eerste land zijn dat wettelijke maatregelen neemt om eerlijk zakendoen over de hele linie verplicht te stellen. Zo heeft Frankrijk wetgeving ingevoerd die bedrijven verplicht hun zorgplicht op zich te nemen met betrekking tot mensenrechten, milieu en klimaat. Ook Duitsland en Finland hebben aangekondigd brede mvo-wetgeving te willen invoeren. Idealiter zouden we dit Europees inrichten, maar zo’n proces is lang en taai en als Nederland dit effectief wil beïnvloeden, dient het zich snel bij de kopgroep aan te ­sluiten.

De convenanten hebben een eerlijke kans gekregen en blijven ook nuttig en nodig. Maar de uitvoering door bedrijven verloopt te langzaam en bereikt te weinig. Wetgeving moet de stok achter de deur worden om onverantwoord ondernemen een halt toe te roepen. Dat moet de Tweede Kamer in het debat met minister Kaag eisen.

Kaag zelf zet de deur op een kiertje voor dwingende maatregelen, maar ze ­bekent tot nu toe geen kleur. Ze wacht verder onderzoek en evaluatie af, mogelijk om onenigheid binnen de coalitie te voorkomen. De tijd voor nieuwe initiatieven binnen deze kabinetsperiode dringt en met verder uitstel zal het nog jaren – en vele milieu- en mensenrechtenschendingen – duren tot er een oplossing komt voor dit soort misstanden.

Alleen met een strategische mix van vrijwillige en wettelijke maatregelen zullen supermarkten Zuid-Afrikaanse plantage-arbeiders een fatsoenlijk loon betalen en krijgen lokale vakbonden een stem aan tafel. Alleen dan kunnen gifschepen niet meer ongestraft worden gedumpt voor de kust van India.

Dit opinieartikel verscheen op 3 maart 2020 in dagblad Trouw