Afgelopen week vond de tweede sessie van de internationale VN-werkgroep over transnationale en andere bedrijven en mensenrechten plaats in Genève. Deze werkgroep is in 2014 in het leven geroepen om vorm te geven aan een verdrag dat aansprakelijkheid van bedrijven voor mensenrechtenschendingen bevordert. SOMO was aanwezig bij de tweede werkgroep sessie waar Staten en experts over de voor- en nadelen van een dergelijk verdrag spraken. Belangrijke vragen die aan bod kwamen waren onder andere: op welke bedrijven moet dit verdrag van toepassing zijn? Welke mensenrechten moeten door dit verdrag beschermd worden? En niet onbelangrijk: hoe moet dit verdrag afdwingbaar gemaakt worden?

Maatschappelijke organisaties, waaronder SOMO, vierden aan het begin van deze tweede sessie een kleine overwinning omdat de EU, dankzij langdurig aandringen van NGOs, schoorvoetend aanschoof bij de besprekingen. Hoewel er vorige week weer relevante stappen zijn gezet in de goede richting, zullen de belangrijkste discussies en besluiten nog moeten volgen.

Waarom een verdrag over bedrijven en mensenrechten?

Bedrijven kunnen met hun activiteiten ernstige inbreuken maken op mensenrechten en schade toebrengen aan de natuur. Momenteel worden bedrijven – vooral met een transnationaal karakter – nauwelijks aansprakelijk gehouden voor de gepleegde schendingen en aangerichte schade. Er wordt zelfs vaak gerekend op straffeloosheid omdat in veel landen wetgeving te kort schiet of overheden niet bereid- of in staat zijn bedrijven aansprakelijk te houden. Daarentegen beschikken bedrijven over allerlei methodes om aansprakelijkheid te ontduiken. Zo kunnen ze hun bedrijfsstructuur aanpassen, of jurisdicties kiezen die leiden tot zo min mogelijk aansprakelijkheid. Ook kan er gedreigd worden met schadeclaims via speciale arbitragetribunalen (zie bijvoorbeeld Chevron tegen Ecuador). Daarbij lijden getroffen gemeenschappen vaak aan een gebrek aan informatie. Dit zorgt voor een situatie waarin bedrijven straffeloos mensenrechten kunnen schenden en het milieu ernstige schade toe kunnen brengen, terwijl gerechtigheid, als het er ooit komt, vaak tientallen jaren op zich laat wachten.

“Daarom hebben we een verdrag nodig dat bijdraagt aan het bestrijden van straffeloosheid voor mensenrechtenschendingen van bedrijven. Het moet een internationaal bindend en effectief afdwingbaar instrument worden dat zorgt voor consistentie in wetgeving en handhaving en dat slachtoffers toegang geeft tot het recht”, zegt Lydia de Leeuw, onderzoeker bij SOMO.

Hoe verliepen de gesprekken?

Een van de grote vragen vooraf was of de EU deel zou gaan deelnemen. Vorig jaar liep de EU tijdens de eerste dag van de sessie weg uit de besprekingen; ze weigerde deel te nemen aan gesprekken zonder een garantie dat de aansprakelijkheid van alle typen bedrijven (dus niet alleen multinationals) in ogenschouw zouden worden genomen. Gedurende het afgelopen jaar hebben maatschappelijke organisaties alles op alles gezet om ervoor te zorgen dat de EU constructief deel zou nemen. Er zijn juridische seminars en expert meetings opgezet, individuele Staten zijn aangesproken op hun verantwoordelijkheid en er was een petitie.

Tot onze opluchting namen de EU en alle EU-lidstaten dit jaar wel deel aan de gesprekken en werd de mogelijke aansprakelijkheid van alle typen bedrijven bediscussieerd. Echter, de delegaties maakten nauwelijks inhoudelijke bijdragen tijdens de vijf dagen durende sessie. Daarnaast is de EU nog steeds niet overtuigd van de noodzaak van het verdrag en zegt vast te willen houden aan de niet-bindende richtlijnen voor bedrijven met betrekking tot mensenrechten. Verder willen ze bedrijven betrekken bij besprekingen over een toekomstig verdrag.

Ook noemenswaardig is de massale uitloop van maatschappelijke organisaties tijdens de eerste interventie van de Braziliaanse delegatie. Dit in protest tegen de politieke coup in Brazilië en om te laten zien dat de huidige regering niet erkend wordt door een groot aantal mensenrechtenorganisaties. Verder viel op dat de International Chamber of Commerce en de internationale werkgeversorganisatie IOE actief deelnamen. Deze pleitten, niet verassend, voor zelfregulering door bedrijven.

De link met handel –en investeringsverdragen

Voorstanders van het verdrag wezen op de destructieve (en straffeloze) impacts van buitenlandse bedrijven in hun land. Ook vestigden ze de aandacht op handel -en investeringsverdragen en hoe deze er effectief voor zorgen dat Staten ingeperkt worden in hun mogelijkheid om mensenrechten te beschermen. Het huidige handel -en investeringsregime kwam veelvuldig ter sprake. Het bewustzijn dat de balans tussen rechten en plichten van bedrijven hersteld moet worden groeit.

Hoe nu verder?

Lydia de Leeuw: “De gesprekken van afgelopen week brengen ons weer een stap dichterbij een verdrag over bedrijven en mensenrechten. De deelname van maatschappelijke organisaties was overweldigend – het momentum is er. Wij hebben als maatschappelijke organisaties de EU bewogen om mee te doen. Met het oog op de sessie van volgend jaar moeten nu verdere stappen gezet worden om de inhoud van zo’n verdrag uit te werken.”

SOMO zal zich – in samenwerking met (juridische) academische experts en maatschappelijke organisaties – in blijven zetten voor een afdwingbaar verdrag over bedrijven en mensenrechten en het uitwerken van de bouwstenen van zo’n verdrag. Daarbij zullen de volgende onderwerpen vooral van belang zijn: handel -en investeringsverdragen, ‘loopholes’ in wetgeving, uitvoering en handhaving, preventie en due diligence en internationale financiële instanties. Ook willen we met de EU en de EU lidstaten in gesprek blijven over hun inzet in dit VN proces. Kortom: wordt vervolgd!