Winstbelasting als concurrentiemiddel?

Deze maand maakte Shell bekend geen winstbelasting te betalen in Nederland. Of beter gezegd, Shell gaf toe dat dagblad Trouw het juist had: het bedrijf betaalt  al jaren geen winstbelasting in Nederland. Hoe is dat mogelijk? McLean (hoofd Belastingen bij Shell) legt uit: “Het is een natuurlijk gevolg van het Nederlandse belastingsysteem (…). Dat stelsel is zeer effectief in het aantrekken van hoofdkantoren van multinationals en dat is goed voor de Nederlandse economie. Maar het heeft consequenties voor de winstbelasting. Als je zo’n systeem ontwerpt, moet je niet verbaasd zijn over de consequenties.”

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de winstafdracht door multinationals. De hoorzitting is te volgen via deze link.

De winstbelasting als concurrentiemiddel

Dit klinkt heel dreigend, maar de vraag blijft open wat nou precies die consequenties zijn. De internationale uitholling van de winstbelasting is al jaren bezig, zoals te zien in onderstaande figuur van het IMF (2019).

Foto:IMF

Veel internationaal opererende bedrijven, zoals Shell, weten de werkelijke winstbelasting die betaald wordt (het zogenaamde ‘effectieve tarief’) in het land van het hoofdkantoor zelfs naar nul te krijgen. Een van de problemen die de verlaging van de winstbelasting met zich meebrengt, is de kettingreactie in andere landen. De verlaging van de winstbelasting in het ene land leidt tot een sterke prikkel voor andere landen om ook hun winstbelasting te verlagen. Zo besloot Nederland vorig jaar haar winstbelastingtarief voor het midden- en grootbedrijf op termijn te verlagen, van de huidige 25% naar 20,5%. Hierdoor krijgt Nederland, volgens het kabinet, ‘een toekomstbestendiger en concurrerender fiscaal instrumentarium waar het gaat om het belasten van winsten’.

De directeur van het CPB, Laura van der Geest, gaf te kennen dat Nederland er beter aan zou doen haar winstbelasting zelfs nog verder te verlagen, om zodoende aantrekkelijk te blijven voor bedrijven. Ook de Britse premier May draagt haar steentje bij aan deze concurrentiestrijd tussen landen en gaf eind vorig jaar een lage-winstbelastingtarief garantie af aan bedrijven: “Whatever your business, investing in a post-Brexit Britain will give you the lowest rate of corporation tax in the G20.” Het laat zich dan ook raden dat landen, op de langere termijn, elkaars winstbelasting weg zullen concurreren. Dit merkte de Wereldbank in 2017 al op: “When countries compete for corporate tax base and/or real investments they do so at the expense of others – who are doing the same.”

De winstbelasting als lokmiddel

Overheden hopen dat een verlaging van de winstbelasting meer economische activiteit geneerd. Zo schetst Shell dat Nederland ‘alleen al in 2018 4,5 miljard euro aan overige belastingen – accijnzen, loonbelasting, btw, dividendbelasting – heeft gegenereerd voor de Nederlandse schatkist’. Maar, deze  belastingen gelden voor alle bedrijven, en worden deels betaald door werknemers (loonbelasting) en consumenten (BTW). En deze belastingen compenseren niet het verlies aan winstbelasting  Ook is het opvallend dat Shell de dividendbelasting noemt als haar bijdrage aan de schatkist, omdat Shell al jarenlang een deel van haar Nederlandse dividenduitkeringen via Jersey laat lopen om zodoende de dividendbelasting (ca. 893 miljoen euro per jaar) te omzeilen.

Aangezien de daling van de winstbelasting in alle landen heeft plaatsgevonden, hebben overheden een deel van hun winstbelasting ingeleverd zonder hier meer economische activiteit voor terug te krijgen. Door de internationale wedloop in de verlaging van de winstbelasting blijft er, op basis van de winstbelastingtarieven, een gelijk speelveld tussen overheden. De belofte van overheden, dat een verlaging van de winstbelasting tot meer economische activiteit zal leiden, wordt dan ook niet ingelost. En het is ook niet zo dat bedrijven per se zorgen voor het aantrekken van economische bedrijvigheid. Overheidsuitgaven (gefinancierd uit belastingen) spelen daarin een veel grotere rol. In de ‘competitiviteit ranking’ van het World Economic Forum wordt de hoge positie van Nederland met name bepaald door macro-economische stabiliteit, infrastructuur, gezondheidszorg, en een goed-opgeleide beroepsbevolking.

Wie betaalt hiervoor de rekening?

Eind jaren ’90 bedroeg de winstbelasting vaak meer dan 18 procent van totale som van belastingen; de laatste jaren schommelt dit percentage tussen de 8 en 12 procent. Dit is des te opmerkelijk omdat de kapitaalinkomensquotum (het deel van het nationaal inkomen dat naar kapitaal gaat) al jaren stijgt en de arbeidsinkomensquotum (het deel van het nationaal inkomen dat naar arbeid gaat) al jaren daalt. De aderlating in de opbrengsten van de winstbelasting worden zowel opgevangen door bezuinigingen als door de verhoging van andere belastingen. Het is dan ook geen toeval dat zowel het lage als het hoge btw-tarief recentelijk verhoogd is, respectievelijk van 6 naar 9 proces en van 19 naar 21 procent. Dit zijn forse verhogingen. Ter vergelijking: in de jaren ’60 was de BTW 4 en 12 procent.

Belastingen op consumptie hebben een sterk regressief karakter, aangezien mensen met een laag inkomen een groter deel van hun inkomen besteden aan consumptie. De Europese Commissie berekende in 2015 dat de belasting op inkomen uit kapitaal in Nederland rond de 13,7 procent ligt, ten aanzien van consumptie op 24,5 en ten aanzien van arbeid zelfs op 38,5. In hetzelfde rapport kwam naar voren dat de belasting op consumptie en arbeid, ten opzichte van 1995, is gestegen terwijl de belasting op kapitaal bijna is gehalveerd.

Het zijn niet alleen het MKB, werknemers en huishoudens die opdraaien voor het lage winstbelastingtarief die multinationals in Nederland betalen. Door de verlaging van de winstbelasting stimuleert Nederland ook de internationale wedloop in de verlaging van de winstbelastingen. Dat heeft ook gevolgen voor ontwikkelingslanden, die een sterke afhankelijkheid kennen ten aanzien van de winstbelasting: waar voor OECD-landen het overheidsbudget voor 9% procent bestaat uit winstbelasting is dit voor ontwikkelingslanden vaak rond de 15-20%. Deze landen hebben de inkomsten hard nodig om publieke voorzieningen te financieren. Voorzieningen om in basisbehoeftes te voorzien, en ook  voorzieningen om verdere sociale en economische ongelijkheid tegen te gaan.

Consequentie

Wanneer naar de ‘consequentie’ wordt gekeken van het ‘gunstige’ Nederlands belastingsysteem en het ‘vestigingsklimaat’ voor multinationals moet dit ook in een breder perspectief worden geplaatst. Het maakt niet alleen dat in Nederland de lasten van kapitaal naar arbeid verschuiven, maar het zet ook de financiering van publieke voorzieningen Nederland én in andere landen onder druk. Nederland heeft de internationale verantwoordelijkheid om multinationals fatsoenlijk te belasten, en de internationale ondermijning van de winstbelasting een halt toe te roepen.