Hoewel de veiligheid en gezondheidssituatie in veel kledingfabrieken iets is verbeterd en er vooruitgang is geboekt in de strijd tegen kinderarbeid, is er maar weinig veranderd in de leefsituatie van de fabrieksarbeiders. De lonen liggen zo laag dat ze bij moeten lenen om hun kinderen naar school te kunnen laten gaan. De hoogste tijd dat ook consumenten kritischer worden in wat, hoe vaak en waar zij hun kleding kopen.

‘Vrouwen in Azië die voor Nederlandse merken kleding produceren, krijgen veel te weinig betaald om van te leven.’ Dit blijkt uit een recent onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de Schone Kleren Campagne (SKC) naar kleding die wordt gemaakt voor C&A, J.C. Rags, M&S Mode, Miss Etam, Prénatal en WE. Arbeiders in Bangladesh die kleertjes maken voor Prénatal, verdienen bijvoorbeeld gemiddeld 29,89 euro per maand. Dat is ver onder het leefbare loon in dat land en evenveel als één babybroek met truitje kost uit het middensegment van de Nederlandse webshop. Het leefbare loon in Bangladesh is 53 euro voor één persoon en voor een gezin van vier 89 euro per maand, volgens de SKC. Toen ik dit bericht begin september las, was ik in eerste instantie boos, omdat de kledingindustrie ruim twintig jaar in de spotlight staat met vergelijkbare verhalen. Daarna moedeloos, omdat de kledingindustrie (vaak in samenwerking met maatschappelijke organisaties) ook al twintig jaar lang zegt met gedragscodes en convenanten de situatie te zullen verbeteren.

Verbetering?
De realiteit is wel dat de veiligheid en gezondheidssituatie in veel kledingfabrieken iets is verbeterd. Eveneens is er vooruitgang geboekt in de strijd tegen kinderarbeid, vooral bij de directe leveranciers van onze kledingmerken. Er wordt ook meer gebruikgemaakt van biologisch katoen. Maar toch, als we kijken naar mogelijkheden voor arbeiders om hun eigen situatie te verbeteren, bijvoorbeeld via vakbonden, en om hun leefsituatie en toekomst te verbeteren door middel van hogere lonen, is er weinig vooruitgang geboekt.

Een nieuw elan
Kan het ook anders? In mei 2006 bezocht rockster Bono de Precious Garments-fabriek in Maseru, de hoofdstad van Lesotho. De zanger van U2 en tevens Make Poverty History-activist wilde met eigen ogen zien of met hiv besmette personen in het Afrikaanse land voldoende virusremmende medicijnen kregen toegediend. Eerder dat jaar lanceerde Bono een nieuw initiatief onder de naam RED, dat een nieuwe merknaam moest worden voor de kritische consument die Afrikaanse levens wil redden. Bedrijven werd gevraagd om speciale producten te ontwikkelen onder het RED-merk, waarbij de helft van de winst direct naar het Global Fund to Fight Aids, Tuberculosis and Malaria gaat.

Bron: onzeWereld.nl