Het CCS-rookgordijn: Hoe bedrijven de energietransitie in de Rotterdamse haven sturen
De Rotterdamse haven presenteert zich als de ‘groenste haven van Europa’ en beweert voorop te lopen in de energietransitie. In haar publieke communicatie belooft ze ‘netto nul’-emissies en ‘groene’ waterstofcorridors, gebaseerd op infrastructuur voor koolstofafvang en -opslag (CCS). Maar achter deze groene façade schuilt een andere realiteit: de vlaggenschipprojecten van het Havenbedrijf Rotterdam zijn niet gericht op het afbouwen van fossiele brandstoffen, maar juist op het verlengen van hun verbruik. Dit wordt gefaciliteerd door royale overheidssubsidies, speculatief techno-optimisme en een structurele weigering om verantwoordelijkheid te nemen voor de uitstoot van haar industriële huurders. Door grootschalig in te zetten op CCS en waterstof, heeft het Havenbedrijf langdurige grondpachtcontracten afgesloten met grote vervuilers, waarmee het de fossiele infrastructuur voor decennia verankert. Hiermee plaatst het wederom bedrijfsbelangen boven het publieke belang en het welzijn van de planeet. Dit artikel ontrafelt de politieke keuzes achter het transitiebeleid van de haven en verkent hoe een werkelijk transformatieve energiestrategie eruit kan zien.
Samenvatting
- De energietransitie van het Havenbedrijf Rotterdam leunt zwaar op technologieën als koolstofafvang en -opslag (CCS) en waterstof, die niet zozeer gericht zijn op het uitfaseren van fossiele brandstoffen, maar op het beschermen van bedrijfsbelangen.
- Het Havenbedrijf heeft zijn industriële huurders langlopende grondpachtcontracten verleend zonder hen te verplichten hun uitstoot te reduceren. Hierdoor kunnen deze bedrijven de energietransitie van de haven belemmeren.
- Het Havenbedrijf weigert verantwoordelijkheid te nemen voor de decarbonisatie van haar huurders. De plannen voor CCS en waterstof, die royaal worden ondersteund door overheidssubsidies, zijn in de kern gericht op het verlengen van fossiele brandstofproductie. Daarbij wordt vertrouwd op kostbare technologieën die gepaard gaan met aanzienlijke milieu- en sociale risico’s.
- Nederlands belastinggeld wordt ingezet om fossiele-brandstofreuzen te beschermen tegen échte klimaatmaatregelen, terwijl de maatschappelijke en ecologische kosten worden afgewenteld op gemeenschappen en ecosystemen. Een rechtvaardige en daadwerkelijke energietransitie is wel mogelijk, maar daarvoor moeten de havenautoriteit en de Nederlandse regering de invloed van de industrie durven te weerstaan, fossiele subsidies afbouwen en investeren in het structureel verlagen van de absolute uitstoot.
Olie- en gasbedrijven, samen met de EU-Commissie (opens in new window) en een aantal van haar lidstaten(opens in new window) , investeren aanzienlijk in technologie voor het afvangen en opslaan van kooldioxide (CCS) als vermeende oplossing voor de klimaatcrisis. Op het eerste gezicht lijkt het aantrekkelijk: CCS zou het mogelijk maken om kooldioxide (CO2) uit industriële activiteiten af te vangen en ondergronds op te slaan. Voorstanders beweren dat zo emissies vermeden kunnen worden. Academici(opens in new window) , maatschappelijke organisaties (opens in new window) en journalisten (opens in new window) hebben echter fundamentele bezwaren geuit tegen deze technologie. Zij wijzen op haar falende track record en de aanzienlijke risico’s die het met zich meebrengt. De populariteit van CCS is mogelijk te verklaren doordat ze grote vervuilers in staat stelt hun uitstoot uit te stellen of hun bedrijfsvoering niet wezenlijk te hoeven veranderen. Bovendien heeft de fossiele industrie CCS gepromoot (opens in new window) en actief gelobbyd (opens in new window) om deze technologie opgenomen te krijgen in regionale en nationale klimaatplannen.
Om CCS op grote schaal te kunnen toepassen, zijn enorme investeringen in infrastructuur nodig. Elke fabriek zou moeten worden uitgerust met koolstoffilters, verbonden aan een netwerk van pijpleidingen die leiden naar opslaglocaties in havens, vanwaar de CO2 ondergronds wordt geïnjecteerd in uitgeputte olie- en gasvelden. Ook aangepaste schepen(opens in new window) zijn nodig om CO2 te vervoeren naar deze opslagfaciliteiten.
De Rotterdamse haven laat goed zien hoe havens vanwege hun ligging en infrastructuur cruciaal zijn voor het opschalen van CCS(opens in new window) . De haven van Rotterdam is de grootste (opens in new window) haven van Europa en een van de grootste vervuilers (opens in new window) van Nederland. In 2021 waren de logistieke en industriële activiteiten in de haven goed voor 63 miljard euro(opens in new window) , ofwel 8,2% van het Nederlandse BBP. De haven speelt een sleutelrol in de Nederlandse handels- en energie-infrastructuur en fungeert als knooppunt voor de fossiele industrie in Noordwest-Europa en daarbuiten. Shell, ExxonMobil en BP behoren tot de 120 bedrijven die gevestigd zijn in het havengebied. Zij beheren elk raffinaderijen en petrochemische fabrieken met een verwerkingscapaciteit van honderden duizenden vaten olie per dag. Via meer dan duizend kilometer aan pijpleidingen worden olie, chemische producten en derivaten van hieruit verspreid(opens in new window) over Noord-Europa.
De fossiele economie in de haven heeft grote gevolgen voor het klimaat. Volgens onderzoeksgroep CE Delft waren de indirecte emissies van de waardeketen van brandstoffen en andere energie-inputs die in de haven worden verwerkt of doorgevoerd, in 2023 goed voor naar schatting 604 megaton CO2 – ruim drie keer zoveel als de totale jaarlijkse uitstoot van Nederland.
De impact van de uitstoot van de haven is ook een zorg voor Rotterdammers. Luchtvervuiling door petrochemische bedrijven schaadt de gezondheid van bewoners en tast landbouwopbrengsten aan. De gecombineerde maatschappelijke kosten lopen in de miljarden euro’s per jaar(opens in new window) .
Het Havenbedrijf – in handen van de Nederlandse staat (30%) en de gemeente Rotterdam (70%) – erkent de vervuilende impact van de haven en heeft zich (opens in new window) gecommitteerd aan 55% emissiereducties in 2030. In 2050 wil het bedrijf een “klimaatneutrale haven” zijn, conform nationaal klimaatbeleid.
Toch moeten deze transitieplannen vooral worden gezien als een capitulatie voor de belangen van fossiele bedrijven. De centrale rol die CCS inneemt in de strategie van het Havenbedrijf wijst erop dat de plannen zijn afgestemd op het behoud van bedrijfsmodellen, niet op klimaatrechtvaardigheid of systeemverandering.
Wiens transitie?
Voordat we ingaan op de details van de transitieplannen van het Havenbedrijf, is het belangrijk stil te staan bij de fundamentele beperkingen waarmee het bedrijf – en in het verlengde daarvan de Nederlandse staat en de gemeente Rotterdam als aandeelhouders – wordt geconfronteerd bij het ontwikkelen van deze plannen.
De meest fundamentele beperking is ruimtegebrek. De hoge bevolkingsdichtheid in de regio rondom de Rotterdamse haven sluit fysieke uitbreiding vrijwel uit, terwijl de energietransitie, waaronder uitgebreide CCS-projecten, grootschalige nieuwe infrastructuur vereist. Op de lange termijn zou het havengebied zeewaarts kunnen uitbreiden met een nieuw landaanwinningsproject, maar dat levert binnen de vereiste termijn geen bruikbare ruimte op. Het Havenbedrijf en de publieke aandeelhouders zijn zich er dan ook terdege van bewust (opens in new window) dat nieuwe energie-infrastructuur grotendeels moet worden gerealiseerd binnen het bestaande haventerrein.
Een tweede, nog ingrijpender beperking is de dominantie van fossiele bedrijven binnen die ruimte. Vrijwel alle grond in het havengebied is op lange termijn verhuurd(opens in new window) aan industriële bedrijven. Deze pachtovereenkomsten geven bedrijven generaties lang zeggenschap over het gebruik van die grond, wat ingrijpende transities in de weg staat.
De pachtovereenkomsten tussen het Havenbedrijf en haar huurders kunnen juridisch op twee manieren worden gestructureerd, met elk hun eigen praktische gevolgen. Sommige overeenkomsten hebben de vorm van erfpacht – een specifieke categorie van grondgebruiksrechten in het Nederlands recht – waarvan de akten openbaar toegankelijk zijn via het Kadaster. Een voordeel van erfpacht is dat deze volgens de wet gebruikt mag worden als onderpand voor leningen, wat huurders van het Havenbedrijf kunnen aanwenden voor de financiering van hun faciliteiten in de haven. Andere pachtsconstructies worden op contractuele basis overeengekomen. Deze contracten kunnen niet als onderpand worden gebruikt, maar bieden het voordeel van vertrouwelijkheid. Daardoor zijn ze aantrekkelijk voor bedrijven die geen externe financiering nodig hebben en hun winstgevende activiteiten liever buiten het publieke zicht houden.
SOMO beoordeelde een steekproef van acht erfpachtakten met industriële huurders van het Havenbedrijf (en de toegepaste algemene voorwaarden, waarbij de editie van 2015(opens in new window) de meest recente is).
Hieruit bleek dat:
- de looptijden variëren van 30 tot 100 jaar,
- milieubepalingen in de contracten vaag en beperkt zijn
Elke erfpachtakte die in dit onderzoek is beoordeeld, bevat een bepaling over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden voor gebruiksrechten in de haven. De meest recente versie(opens in new window) , uit 2015 (evenals de vorige versie uit 2004), bevat slechts één clausule die de algemene milieuverplichtingen van huurders regelt: artikel 24.1(e), waarin staat dat huurders “vervuiling van of schade aan het milieu moeten voorkomen”, naast enkele andere verplichtingen die niet met milieuvervuiling verband houden. Voor zover SOMO weet, zijn er geen aanvullende richtlijnen over wat deze bepaling in de praktijk inhoudt voor CO2-emissies, en er zijn geen aanwijzingen dat het Havenbedrijf deze verplichting ooit heeft aangewend om huurders te verplichten tot emissiereductie.
- contracten enkel kunnen worden beëindigd bij grove wanprestaties of via kostbare onteigeningsprocedures
Artikel 28.1(b)(iv) van de algemene voorwaarden uit 2015(opens in new window) geeft het Havenbedrijf het recht om gebruiksrechten van huurders te beëindigen indien ze dit “aanbevelenswaardig acht in het kader van een efficiënte indeling of verdeling van bedrijven in het havengebied.” Als het Havenbedrijf besluit dit recht uit te oefenen, vereist artikel 31.3 echter dat de betreffende huurder wordt gecompenseerd met een bedrag dat wordt vastgesteld volgens de Onteigeningswet, die sinds 2024 is opgenomen in de Omgevingswet. Deze wet bepaalt dat een panel van door de rechtbank aangewezen deskundigen de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, inclusief de waarde van de te onteigende activa én een schatting van de toekomstige inkomsten die verloren gaan als gevolg van de onteigening. Voor grote industriële bedrijven in de Rotterdamse haven kan deze vergoeding oplopen tot in de miljarden euro’s.
Deze uitzonderlijk gunstige voorwaarden beperken de onderhandelingsruimte van het Havenbedrijf. Het biedt fossiele bedrijven langdurige zekerheid, zonder dat daar bindende duurzaamheidsvoorwaarden tegenover staan.
Bovendien zijn de contracten met de grootste vervuilers, zoals Shell, ExxonMobil en BP, vertrouwelijk. Dit gebrek aan transparantie is des te zorgwekkender gezien het grote belang van deze bedrijven voor het nationale energiebeleid. Ondanks deze geheimhouding is het redelijk om gefundeerde aannames te doen over de inhoud van de contracten, op basis van de beoordeelde erfpachtakten. Hoewel erfpachtakten en huurovereenkomsten juridisch verschillend zijn, vervullen ze in de praktijk grotendeels dezelfde functie: het toewijzen en reguleren van het gebruiksrecht van grond in de haven. Vanuit commercieel oogpunt, en gelet op het feit dat oliemultinationals doorgaans volledig inzicht hebben in erfpachtvoorwaarden van hun buren in de haven, ligt het voor de hand dat zij geen minder gunstige voorwaarden accepteren dan elders gangbaar is. Dit geldt des te meer gezien hun sterke onderhandelingspositie en hun immense financiële slagkracht ten opzichte van het Havenbedrijf.
In reactie op vragen van SOMO stelde het Havenbedrijf dat de contracten met de top 20 uitstoters dateren van vóór de brede maatschappelijke aandacht voor klimaatverandering en daardoor geen voorwaarden bevatten voor emissiereducties. Het Havenbedrijf gaf ook aan dat zij emissiereductiedoelstellingen aan de orde stelt tijdens onderhandelingen over nieuwe of verlengde leaseovereenkomsten en dat zij “ernaar streeft een actieplan op maat te maken” voor de top 20 uitstoters. Uit de opmerkingen van het Havenbedrijf aan SOMO of uit haar jaarverslag over 2024 (opens in new window) blijkt echter niet of dergelijke bepalingen daadwerkelijk zijn opgenomen in materiële huurovereenkomsten en of er actieplannen zijn ingevoerd die een positief effect hebben gehad op het gedrag (en de emissies) van de grootste vervuilers.
Omdat ruimte schaars is(opens in new window) en opzegging van contracten duur, kunnen bestaande bedrijven de koers van de energietransitie voor de komende decennia feitelijk dicteren. In plaats van strenge eisen te stellen en prioriteit te geven aan een robuuste klimaatstrategie, probeert het Havenbedrijf de transitie aantrekkelijk te maken voor zijn huurders.
De verantwoordelijkheid voor deze machtsdynamiek ligt niet enkel bij de bedrijven. Ook het Havenbedrijf en haar aandeelhouders zijn medeplichtig aan hun eigen zwakke onderhandelingspositie. In naam van concurrentiekracht zijn langdurige, eenzijdig gunstige contracten afgesloten. Net als arbitrageclausules in internationale handelsverdragen die Nederland heeft ondertekend, is dit een moderne Faustiaanse ruil: economische zekerheid voor bedrijven in ruil voor het opgeven van zeggenschap over energiebeleid en milieubescherming.
De “vlaggenschipprojecten” van het Havenbedrijf faciliteren bedrijfsbelangen
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk dat het Havenbedrijf in haar energietransitieplannen de belangen van grote olie- en gasbedrijven centraal stelt. Hoewel het Havenbedrijf stelt dat het in 2050 klimaatneutraal wil zijn, betreft dit enkel de eigen operaties. De uitstoot van huurders blijft grotendeels buiten beeld.(opens in new window) De pijnlijke realiteit is dat geen van de vlaggenschipprojecten gericht is op het verminderen van het totale energieverbruik, noch van het Havenbedrijf zelf, noch van de fossiele energiestromen die door de haven gaan. Het tempo van de infrastructuurontwikkeling wordt bovendien niet bepaald door de urgentie van de klimaatcrisis, maar door het moment waarop investeringen renderen voor energiebedrijven. Dit gebeurt vaak ten koste van de Nederlandse belastingbetaler, via forse staatssteun(opens in new window) .
Het Havenbedrijf heeft haar energietransitieprojecten onderverdeeld in vier strategische pijlers(opens in new window) . Dit onderzoek richt zich op twee daarvan: “Energie en infrastructuur” en “Een nieuw energiesysteem”, omdat deze direct betrekking hebben op de uitrol van CCS.
1. “Efficiëntie en infrastructuur”.
Deze pijler omvat projecten die gericht zijn op het compenseren van emissies of het mogelijk maken van waterstof als nieuwe primaire energiebron. De twee belangrijkste projecten zijn het Porthos CCS-project en de Delta Rhine Corridor.
Het Porthos-project maakt gebruik van CCS-technologie om CO2 af te vangen bij industriële installaties en via pijpleidingen te transporteren naar een opslaglocatie onder de Noordzee. Shell, ExxonMobil en waterstofproducenten Air Liquide en Air Products hebben al contracten afgesloten(opens in new window) om hun CO2 via Porthos af te voeren. De infrastructuur wordt aangelegd door het Havenbedrijf in samenwerking met Gasunie en Energie Beheer Nederland (EBN), beide staatsbedrijven. De beoogde capaciteit is 2,5 miljoen ton CO2 (opens in new window) per jaar, gedurende 15 jaar vanaf 2026. Dit staat in schril contrast met de geschatte (opens in new window) 20,3 miljoen ton CO2 die in 2023 door de haven werd uitgestoten. Bovendien draagt het project niets bij aan de uitfasering van fossiele brandstoffen in de haven.

Wetenschappers (opens in new window) en NGO’s(opens in new window) trekken de betrouwbaarheid van permanente opslag, het toezicht op de infrastructuur en de risico’s van lekkage(opens in new window) ernstig in twijfel. CCS is een onbewezen (opens in new window) technologie op schaal, met een zwakke staat van dienst (opens in new window) en aanzienlijke gezondheids- (opens in new window) en milieurisico’s(opens in new window) . Uit een studie van het Institute for Energy Economics and Financial Analysis (IEEFA), (opens in new window) waarin de capaciteit en prestaties van dertien toonaangevende CCS-projecten wereldwijd werden geëvalueerd, bleek dat tien van de dertien projecten hun ontwerpcapaciteit niet of slechts in beperkte mate haalden, vaak met grote afwijkingen. Pijpleidingen kunnen lekken, en gecomprimeerde CO2 is bijzonder gevaarlijk (opens in new window) wanneer het vrijkomt: het kan leiden tot verstikking van mensen en dieren. Ondergrondse opslag brengt bovendien extra risico’s (opens in new window) met zich mee, zoals lekkage, verontreiniging van drinkwater en het veroorzaken van seismische activiteit. Kortom, CCS-technologie is volstrekt ontoereikend om de klimaatdoelstellingen van de haven – en van Nederland – te halen.
Toch worden er miljarden euro’s aan belastinggeld geïnvesteerd in CCS. Porthos fungeert daarbij als proefproject én als hoeksteen van het nationale energiebeleid. Verontrustend is dat een groot deel van deze middelen niet wordt besteed aan de ontwikkeling of verbetering van de technologie zelf, maar aan het aantrekkelijk maken van de technologie voor vervuilende bedrijven. Zij worden feitelijk beschermd(opens in new window) tegen de extra kosten die gepaard gaan met het gebruik van CCS. Van de geraamde ontwikkelkosten van 1,3 miljard euro(opens in new window) wordt het grootste deel gedragen(opens in new window) door het Havenbedrijf, EBN en Gasunie. De vier aangesloten bedrijven krijgen daarnaast 2,1 miljard euro subsidie om het prijsverschil tussen CCS en ETS-certificaten te overbruggen. Het Havenbedrijf vertelde SOMO dat “het beleid en de visie van de rijksoverheid leidend zijn” en dat de rijksoverheid ook direct betrokken is bij de implementatie van CCS in Nederland.
Voorstanders van CCS zien Porthos als het startpunt van een toekomstig pan-Europees netwerk van CCS-infrastructuur. In de Rotterdamse haven zijn ook andere CCS-projecten in aanbouw, zoals Aramis, dat wordt ontwikkeld door EBN, Gasunie, Shell en het Franse TotalEnergies, en naar verwachting (opens in new window) in 2029 operationeel zal zijn.
Het Delta Rhine Corridor-project maakt deel uit(opens in new window) van dit infrastructuurnetwerk en voorziet in de aanleg van grensoverschrijdende pijpleidingen voor het transport van CO2, waterstof en andere chemicaliën tussen Nederland en Duitsland. De pijpleidingen zouden toegankelijk zijn voor verschillende gebruikers met uiteenlopende verbrandingsprocessen, wat zorgen (opens in new window) oproept over lekkagerisico’s en het gebruik van grotendeels ongeteste technologieën.

CCS en koolstofcompensatie
In 2021 bundelden TotalEnergies, Occidental Petroleum (via een dochteronderneming), Oxy Low Carbon Ventures en CCS-dienstenbedrijf Northern Lights hun krachten met koolstofmakelaar South Pole, koolstofmarktadviseur Perspectives Climate Group en Carbon Finance Labs om de coalitie CCS+ Initiative (opens in new window) op te richten. Deze coaliteit streeft ernaar een boekhoudkundig kader te ontwikkelen waarmee ontwikkelaars en gebruikers van CCS koolstofkredieten kunnen genereren en verkopen aan andere grote vervuilers. Het initiatief lobbyt actief voor de opname van CCS-gerelateerde technologieën in het kader van de koolstofmarktmechanismes van het Klimaatakkoord van Parijs(opens in new window) , evenals in vrijwillige certificeringssystemen voor de koolstofmarkt(opens in new window) .
Het opschalen van CCS-technologie is uiteindelijk een stap in de verkeerde richting. Het bevordert juist de verdere verankering van fossiele brandstofwinning en -productie in de komende decennia, ondermijnt daarmee de dringende noodzaak om fossiele brandstoffen uit te faseren. De risico’s van CCS maken het tot een gevaarlijke afleiding van de fundamentele systeemveranderingen die ons energiesysteem nu nodig heeft. Het toestaan dat CCS-aanbieders compensatiekredieten genereren, draagt slecht bij aan de uitbreiding en legitimatie van de aanjagers van de klimaatcrisis.
2. “Een nieuw energiesysteem”.
De tweede pijler van het energietransitieplan van het Havenbedrijf richt zich op de omschakeling naar elektriciteit en waterstof als energiebronnen. Hoewel het bedrijf zich in de communicatie profileert met “groene waterstof” – geproduceerd met zonne- en windenergie – wordt het gebruik van CCS-technologie gepresenteerd als tijdelijke oplossing(opens in new window) om de uitstoot te compenseren die ontstaat bij de productie van waterstof uit aardgas. In de praktijk blijft grootschalige productie van echte “groene waterstof” voorlopig onhaalbaar(opens in new window) , aangezien de meeste productiemethoden nog afhankelijk zijn van fossiele bronnen zoals aardgas of steenkool.
Het Havenbedrijf voorziet waterstofproductie in de haven, maar ook grootschalige import (en opslag) van in het buitenland geproduceerde waterstof om aan de verwachte vraag te voldoen. Hiervoor ontwikkelt het zogenoemde waterstofcorridors, waaronder pijpleidingen in Noord-Europa, en sluit het samenwerkingsverbanden met havens wereldwijd, onder meer in Portugal (opens in new window) en Zuid-Afrika(opens in new window) . Daarnaast worden importterminals, waterstofkrakers en pijpleidingen aangelegd(opens in new window) voor transport tussen België, Duitsland en Nederland. Gas- en chemiebedrijf Air Products bouwt in de Rotterdamse haven momenteel de grootste CCS-waterstoffabriek (opens in new window) van Europa. Deze installatie zal onder meer de raffinaderij van ExxonMobil in Rotterdam van waterstof voorzien, en zal worden aangesloten op het Porthos-systeem om de afgevangen CO2 naar opslagfaciliteiten onder de Noordzee te transporteren.
Steun van Europese overheden, waaronder Duitsland en Nederland, (opens in new window) en grote olie- en gasbedrijven, versnelt de ontwikkeling van de waterstofsector. Waterstof is echter bijzonder energie-inefficiënt, waardoor het ongeschikt is (opens in new window) voor veel van de toepassingen waarvoor het nu wordt voorgesteld. De klimaatvoetafdruk (opens in new window) van CCS-waterstof, waarbij ook rekening wordt gehouden met niet-afgevangen koolstof en methaanemissies die inherent zijn aan het gebruik van aardgas, is ruim 20% groter dan wanneer aardgas of steenkool direct worden verbrand voor hitte.
Zelfs “groene waterstof”, geproduceerd met hernieuwbare energie, vereist grote hoeveelheden grondstoffen zoals mineralen, land en water. Deze worden vaak gewonnen in het mondiale Zuiden, waardoor het risico bestaat dat historische ongelijkheden worden bestendigd. Het Havenbedrijf erkent de risico’s van geïmporteerde “groene waterstof”, maar stelt dat “de omvang en urgentie van de reductietaak” maken dat “geen enkel middel mag worden uitgesloten”. Die uitspraak wijst op een ontkenning van de potentiële schadelijke gevolgen, en laat fundamentele patronen van energieproductie en -consumptie ongemoeid.
De verantwoordelijkheid afschuiven
In tegenstelling tot de zelfverzekerde communicatie van het Havenbedrijf over haar energietransitieplannen, illustreren de vlaggenschipprojecten juist de dominantie van bedrijfsbelangen binnen diezelfde plannen. Publiek geld – afkomstig van de Nederlandse belastingbetaler – wordt ingezet om oliemultinationals decennialang ademruimte te geven om hun emissies onverminderd voort te zetten. Het waterstofenergiesysteem, dat door het Havenbedrijf wordt gepresenteerd als het toekomstige paradigma om aan de energiebehoefte van Nederland en Europa te voldoen, is bovendien extreem hulpbronintensief en in zijn huidige vorm volstrekt onrealistisch qua schaal. Om nog maar te zwijgen over de schadelijke gevolgen voor milieu, samenleving en klimaat.
Deze tegenstrijdigheid wordt scherp zichtbaar in de manier waarop het Havenbedrijf de verantwoordelijkheid voor de uitstoot van haar huurders systematisch ontwijkt. Hoewel het bedrijf zich naar buiten toe actief presenteert(opens in new window) als partner van huurder-gedreven transitiemaatregelen – mede om reputatieschade te voorkomen – weigert het formeel verantwoordelijkheid te nemen voor de bijbehorende emissies. Zo sluit(opens in new window) het Havenbedrijf bij het meten van de voortgang richting zijn netto-nuldoelstellingen de enorme uitstoot van de industriële cluster in de haven uit van haar scope 3 emissies. En dat terwijl het grootste deel van zijn inkomsten(opens in new window) afkomstig is van leasevergoedingen die juist door deze vervuilers worden betaald. Aan SOMO gaf het Havenbedrijf aan dat “er ruimte is voor interpretatie over de vraag of emissies van bedrijven in de haven tot [haar] scope 3 emissies behoren”, omdat de grond die zij verhuurt aan klanten geen emissies veroorzaakt, maar “deze worden veroorzaakt door de installaties van onze klanten die het Havenbedrijf Rotterdam niet verhuurt.” Deze redenering druist in tegen gezaghebbende richtlijnen (opens in new window) voor scope 3 emissies, die expliciet stellen dat emissies op vastgoed dat door een organisatie wordt verhuurd, moeten worden meegeteld.
Het Havenbedrijf verklaarde aan SOMO dat het in 2026 zal heroverwegen of emissies van erfpacht moeten worden opgenomen in haar scope 3-inventaris voor de reductiedoelstellingen na 2030. Hoewel het bedrijf stelt de inspanningen van huurders tot emissiereductie te stimuleren, herhaalde het ook dat “het uiteindelijk de bedrijven in de haven zijn die de noodzakelijke investeringen doen om hun productiefaciliteiten aan te passen en hun directe en indirecte emissies te verminderen”. Kortom, de selectieve en zelfbeschermende benadering van CO2-boekhouding laat zien dat het Havenbedrijf, wanneer het er echt op aankomt, niet bereid is om zijn grootste fossiele huurders verantwoordelijk te houden.
Een andere energietransitie is mogelijk
Op het eerste gezicht lijken de energietransitieplannen van het Havenbedrijf te beloven dat de klimaatimpact van de industrie in de haven kan worden “opgelost” met nieuwe technologieën die uitstoot compenseren of verminderen, terwijl de ontwikkeling ervan economische kansen zou creëren voor iedereen. Maar de techno-optimistische toon van deze plannen verhult een harde politieke keuze van het Havenbedrijf en haar publieke aandeelhouders. Gezien de onvermijdelijke ruimtelijke beperkingen én de bewuste keuze om zich voor decennia te binden aan de belangen van industriële huurders via uitzonderlijk gunstige contractvoorwaarden, geven de huidige transitieplannen prioriteit aan bedrijfsbelangen boven het publieke belang. In dit kader speelt CCS een centrale rol in het verlengen van de levensduur van de fossiele industrie.
De politieke rekensom die hieraan ten grondslag ligt, lijkt ingegeven door angst. Tussen de regels van strategiedocumenten door, waarin de noodzaak wordt benadrukt om klimaatambities te balanceren met een aantrekkelijk investeringsklimaat, sijpelt een duidelijke vrees door: de angst voor economische schade als gevolg van het frustreren van invloedrijke bedrijven. Die angst is niet ongegrond. In de afgelopen jaren hebben bedrijven als ExxonMobil(opens in new window) , Shell, Unilever(opens in new window) , ASML(opens in new window) , RWE en Uniper onder druk gezet – via dreigende desinvesteringen of arbitragezaken – wanneer beleid hun belangen leek te schaden. Toch vereist de ernst van de klimaatcrisis, en de historische verantwoordelijkheid van Nederland om absolute emissies terug te dringen, dat het Havenbedrijf en de Nederlandse overheid deze angst onder ogen zien en koers durven te wijzigen.
Er zijn genoeg maatregelen die het Havenbedrijf op korte termijn zou kunnen nemen om de energietransitie te versnellen, zonder direct in conflict te raken met huurders. Zo zou het de vage milieubepalingen in huurovereenkomsten met meer ambitie kunnen interpreteren en naleving afdwingen – bijvoorbeeld door emissiereducties binnen een bepaald tijdsbestek verplicht te stellen, en door huurkortingen of -boetes in te zetten om naleving te stimuleren (naast de kleine korting(opens in new window) op huurvergoedingen die zij nu al aan huurder geeft). Daarnaast zou de Nederlandse overheid – als aandeelhouder van het Havenbedrijf – een deel van de miljarden aan subsidies voor fossiele energiegebruik of riskante technologieën als CCS kunnen heroriënteren naar initiatieven die gericht zijn op het daadwerkelijk reduceren van absolute emissies en het uitfaseren van fossiele brandstoffen.
Gelet op de urgentie van de klimaatcrisis zou de Nederlandse regering bovendien proactievere en krachtigere stappen moeten durven zetten. Een werkelijke transformatieve transitiestrategie zou betekenen: het volledig ombuigen van fossiele subsidies richting een vermindering van energieproductie en -verbruik, en het herinvoeren of versnellen van een nationale CO2-belasting, zoals voorzien in het Klimaatakkoord (opens in new window) – om daadwerkelijk druk uit te oefenen op bedrijven die onvoldoende emissiereductie realiseren. Een transformatie van de haveninfrastructuur weg van fossiele brandstoffen is noodzakelijk om de klimaatdoelen van Nederland en Europa te halen. En hoewel de industrie regelmatig dreigt met desinvesteringen, is de werkelijke bereidheid van deze bedrijven om bij te dragen aan de kosten van een eerlijke transitie nog nauwelijks op de proef gesteld.
Welke route ook wordt gekozen: het is tijd dat het Havenbedrijf en haar publieke aandeelhouders zich verzetten tegen de belangen van fossiele huurders in de haven. De economische gevolgen van het confronteren van de industrie met haar verantwoordelijkheid kunnen pijnlijk zijn – maar het nalaten om de klimaatcrisis aan te pakken zal onvergelijkbaar veel schadelijker zijn.
Do you need more information?
-
Joanna Cabello
Hoofd Onderzoek
Dit artikel kwam mede tot stand met bijdragen van The Counter, SOMO’s pro bono onderzoeksdienst voor maatschappelijke organisaties.
Related news
-
Investeringsbescherming als blokkade voor klimaatactieGeplaatst in categorie:Opinie
Bart-Jaap VerbeekGepubliceerd op:
Bart-Jaap Verbeek -
Industrie expansie drijft inwoners van Moerdijk wegGeplaatst in categorie:Long read
Boris SchellekensGepubliceerd op: -
Shell start nieuwe arbitrageprocedure tegen Nederland over nasleep gaswinning GroningenGeplaatst in categorie:Nieuws
Bart-Jaap VerbeekGepubliceerd op: