Ontheemde boeren bij een herdenking van een bloedbad in de gemeente Becerril (2017).Foto:PAX

Mijnbouw- en energiebedrijven moeten stoppen met het winnen en verbranden van steenkool om rampzalige klimaatverandering af te wenden. Maar wat houdt dit in voor de gemeenschappen en werknemers die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de steenkoolwinning? En wat betekent het vertrek van de mijnbouw- en energiebedrijven voor de slachtoffers van de ernstige mensenrechtenschendingen in en rond de steenkoolmijnen? Het rapport ‘Responsible disengagement from coal as part of a just transition’ gaat in op de bloedige geschiedenis van de mijnbouw in Cesar, Colombia, en kijkt naar de verantwoordelijkheden van vertrekkende bedrijven ten opzichte van gemeenschappen en werknemers.

Het departement Cesar in het noorden van Colombia was het toneel van ernstige mensenrechtenschendingen door paramilitaire groeperingen in de jaren 1990 en 2000, waaronder gerichte moorden op activisten, bloedbaden en gewelddadige verdrijvingen. In dezelfde periode hebben twee mijnbouwbedrijven – het Amerikaanse Drummond en het Zwitserse Prodeco/Glencore – hun activiteiten in het gebied opgestart en uitgebreid, en steenkool geleverd aan verschillende Europese energieleveranciers. In december 2020 heeft de Colombiaanse openbare aanklager zowel de huidige als de voormalige president van de Colombiaanse dochteronderneming van Drummond aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid.

In het rapport analyseert SOMO de schendingen rond de mijnen met behulp van de zowel de OESO-richtlijnen als de VN-richtlijnen voor Bedrijven en Mensenrechten, en concludeert dat Drummond en Prodeco/Glencore hebben bijgedragen aan de schade die gepaard ging met de gewelddadige verdrijving van tienduizenden mensen. Beide mijnbouwbedrijven moeten daardoor helpen de gevolgen te herstellen, een verantwoordelijkheid die niet zomaar verdwijnt als zij hun activiteiten in het gebied staken. Prodeco/Glencore heeft onlangs aangekondigd dat het op korte termijn uit Cesar zal vertrekken, waarmee genoegdoening voor mensenrechtenschendingen onder druk zou komen te staan.

De mijnbouwconcessies in Cesar, Colombia – kaart door Frans Schupp

Ook Europese energiebedrijven verantwoordelijk

Het rapport stelt dat Europese energieleveranciers zoals RWE, EnWB, Uniper, Enel en Vattenfall, die jarenlang ‘bloedkolen’ uit Colombia hebben gekocht, op zijn minst sinds 2014 op de hoogte hadden moeten zijn van de rol van de twee mijnbouwbedrijven bij de schendingen en hun falende aanpak van de gevolgen ervan.

Joseph Wilde-Ramsing, senior onderzoeker bij SOMO: “Volgens de OESO-richtlijnen concluderen wij dat energieleveranciers die ook na 2017 nog steenkool van de Colombiaanse mijnen kochten,  hebben ‘bijgedragen’ aan de negatieve impact in Cesar. Zij moeten zich op verantwoorde wijze terugtrekken uit de steenkoolmijnen van Drummond en Prodeco/Glencore, maar ook bijdragen aan het herstel van de schade die zij mede hebben veroorzaakt.”

Rechtvaardige energietransitie

De zaak in Colombia raakt aan een breder debat over de rechtvaardige energietransitie. De winning van steenkool en de elektriciteitsproductie op basis van steenkool worden al lang in verband gebracht met ernstige mensenrechten- en milieuschade over de hele wereld, waaronder antropogene klimaatverandering. Tegelijkertijd zijn veel gemeenschappen voor hun levensonderhoud sterk afhankelijk van steenkoolwinning.

Wilde-Ramsing: “We kunnen deze mensen niet aan hun lot overlaten. Een onverantwoord vertrek van bedrijven waarbij schendingen uit het verleden niet worden rechtgezet en werknemers niet de kans krijgen om in hun levensonderhoud te voorzien, is onaanvaardbaar en in strijd met de internationale normen. Mijnbouw- en energiebedrijven moeten ambitieuze en rechtvaardige exitstrategieën ontwikkelen door op een zinvolle manier in dialoog te gaan met vakbonden, gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en overheden.”

Het rapport stelt onder meer dat bedrijven ontslagen werknemers, waaronder die van aannemers en leveranciers, moeten steunen met maatregelen zoals verlengde ontslagvergoedingen, opleidingen om ander werk te vinden of een bedrijf te starten, en microkredietregelingen. Verantwoorde exitstrategieën erkennen de rol van het bedrijf in vroegere schendingen, en omvatten regelingen rond herstelbetalingen, het opruimen van de mijnlocatie en de voortzetting van openbare diensten.

Dit is de derde publicatie van SOMO over ‘responsible disengagement’, na ‘Should I stay or should I go?‘ en ‘Responsible disengagement in the time of corona‘.