Ook al is het slecht voor de gezondheid

Doe onderzoek

Er wordt vaak gedacht of gezegd dat het belastingbeleid in Nederland mede bepaald wordt door accountancykantoren (zoals PwC en Deloitte) en advocatenkantoren (denk aan Loyens & Loeff, of Stibbe). Is dat ook zo? Dat wilden we bij SOMO uitzoeken. Want ja, als onderzoeksorganisatie is het je taak om niet zomaar geruchten of verdenkingen aan te nemen, maar het tot de bodem uit te zoeken. Iets unieks in de feitenvrije wereld waarin we nu lijken te leven. Doe eens gek, doe onderzoek.

Vragen leiden tot… nog meer vragen

En dus gingen wij begin 2015 op zoek naar informatie over de lobby van de adviessector en verstrengeling met de overheid. Wie werkt er als tax partner bij al die grote kantoren? Hebben ze nevenfuncties in de academische wereld, bij de overheid, of misschien wel als plaatsvervangend rechter? Wat zijn eigenlijk de standpunten van die kantoren als het gaat om belastingbeleid in Nederland? En hoe goed wordt er op het ministerie van Financiën (MinFin voor intimi) naar ze geluisterd?

We bleven echter met meer vragen dan antwoorden zitten. Waarom? Te weinig publieke informatie.

De voor ons onderzoek meest relevante belangenbehartigingsorganisaties (lobbyclubs?) – VNO-NCW en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) – zijn zelf redelijk open over hun standpunten. Maar hoe vaak mogen ze eigenlijk langskomen bij MinFin, en wat is de werkelijke invloed op beleid? Het lijkt voornamelijk de overheid die weinig inzicht geeft in met wie ze spreekt en hoe de belangen worden afgewogen.

Wobben

Kortom: We kwamen niet verder. En wat doe je dan? Juist, Wobben. Wob staat voor Wet openbaarheid van bestuur. Deze wet “regelt uw recht op informatie van de overheid”. Oké, dat klinkt goed. “Overheidsinformatie is altijd openbaar” – yes! Zo hoort dat in een open, democratische samenleving – “tenzij de Wob of andere wetgeving bepaalt dat de gevraagde informatie niet geschikt is om openbaar te maken.” Oh.

Hulplijn

Op 18 juli 2015 dienden we een Wob-verzoek in. Dat had nogal wat voeten in de aarde. Wat blijkt, zo’n verzoek indienen is moeilijker dan je denkt. Als je overweegt een verzoek in te dienen, kijk dan bijvoorbeeld hier. Ons verzoek was heel breed. We vroegen namelijk naar de inspraak van acht verschillende organisaties of bedrijven op “de totstandkoming, ontwikkeling en uitvoering van het vestigingsklimaat in Nederland beperkt tot het belastingbeleid in brede zin”. Ja, die formulering heb ik zelf niet bedacht. We riepen namelijk de hulp in van een Wob-expert. Wetende dat we een breed verzoek zouden doen naar een gevoelig onderwerp (als het gaat om Nederlands vestigingsklimaat raken er nog wel eens wat bewindspersonen in paniek), leek het ons goed een hulplijn in te schakelen.

Effe wachten…

Het ministerie moet binnen 28 dagen een beslissing nemen over het ingediende verzoek. Sorry, zei ik 28 dagen? Ik bedoelde 56. Dat mag namelijk gewoon, de beslissingstermijn verdubbelen naar 8 (!) weken. Maar ons verzoek was ook erg breed, dus wat geduld hadden we wel.

Fast forward naar half september. Want toen verwachtten we zo ongeveer wel een briefje van MinFin. In plaats daarvan werden we uitgenodigd op gesprek. Of we het verzoek even wat wilden beperken. Dat willen we wel, zei ik. Maar we weten niet hoe. Omdat de voor het publiek beschikbare informatie (= niet veel) over de invloed van belastingadviessector op het belastingbeleid zo beperkt is, is het onmogelijk te vragen naar specifieke stukken, verslagen, momenten et cetera. Iets wat een Wob-verzoek 100 keer makkelijker zou maken.

Oké, zouden we dan bereid zijn zelf te komen zoeken?

Dat wij zelf het archief van MinFin induiken om te zoeken naar documenten die we willen inzien? Ja hoor. En dus zaten mijn collega en ik in de herfst van 2015 drie middagen in een kamertje op het ministerie onder toeziend oog van een ambtenaar. Dat is redelijk ongewoon. Maar het hield ons van de straat.

Effe wachten nog…

Nu we ze zo uit de brand hadden geholpen, verwachtten we toch wel een snelle beslissing. 2015 ging echter voorbij zonder nieuws van MinFin. Het zou januari worden, zeiden ze. Maar in januari bleek dat ze nog door e-mails aan het spitten waren. Het zou maart worden, nee echt. Om MinFin aan die belofte te houden, dienden we half februari een ingebrekestelling in. De overheidsinstantie moet dan een dwangsom gaan betalen als ze niet binnen een bepaalde termijn iets laten horen. Het maakte geen indruk. MinFin betaalde liever de maximale dwangsom à €1260.

Dúúrt lang!

Maart en april verstreken. MinFin kwam met excuses: het verzoek was zo breed, de zienswijze-procedure duurde zo lang (waarbij derde partijen op wie de informatie betrekking hebben, de kans krijgen om hun zienswijze te geven op het Wob-verzoek en de openbaarmaking van documenten) en zo verder. Maar in juni, zouden we echt, ECHT een beslissing krijgen. Aldus de directeur Juridische Zaken die zich er onderhand ook maar mee bemoeide.

De dag die je bijna niet meer wist of ie zou komen

En zo geschiedde. Driehonderdenéénendertig dagen na indiening van het Wob-verzoek kregen we informatie, in de vorm van een koerier met een USB-stick. MinFin zette ze bijna meteen online, zonder ons de kans te geven de documenten rustig door te nemen – wat wel gebruikelijk is.

Ongeveer 250 documenten. Dat lijkt veel, maar het verzoek was zo breed dat je eerder duizenden dan honderden verwacht. Ook al had het graven in het archief ons al geleerd dat er eigenlijk maar weinig was te vinden. We kregen vrijwel geen gespreksverslagen, geen actielijsten (die iedereen toch maakt tijdens vergaderingen?), nauwelijks e-mails, en geen bonnetjes. Bovendien werd er regelmatig in de documenten die we wél hadden verwezen naar documenten die we niet hadden gekregen.

To the next level

Dus gingen we in bezwaar tegen de beslissing. Wat betekent dat? Dan schrijf je aan “zeer geachte minister Dijsselbloem” waarom je niet blij bent: te slecht gezocht, te laat gezocht, teveel weggelakt – wat zijn in ministersnaam al die beleidsopvattingen van ambtenaren waar je niks van mag weten?! – documenten die missen, en oja dat ze niet zo netjes met de wet waren omgegaan. Vervolgens komt er een hoorzitting waarin mensen van het ministerie andere mensen van het ministerie én ons hoorden. En dan wordt er door het ministerie een tweede beslissing genomen, waarin zij aangeven in hoeverre ze het bezwaar ‘gegrond’ achten.

Dat had zin

De tweede beslissing – die kwam wat sneller – leidde ook tot meer informatie, onder andere over een ‘geheim overleg’ in het Catshuis over het Nederlandse vestigingsklimaat. En daarna kapten we ermee. Niet omdat we het he-le-maal gehad hadden met dat Wobben, maar omdat we erop rekenden dat een volgende stap – in beroep gaan, naar de rechtbank – niet zou leiden tot meer informatie.

Nu, anderhalf jaar na het indienen van het verzoek, typ ik dit stukje. En vraag me af: waarom is Wobben, of op zijn minst dit Wob-verzoek, zo moeilijk? En: ga ik dit nog een keer doen?

Moeilijker kunnen ze het. Echt. Niet. Maken.

Dit Wob-proces is enorm vertraagd door het ministerie. Er is van alles gedaan, zoals ons de schuld geven voor het vele werk, niks aantrekken van sowieso al veel te lange termijnen en deadlines (wat zoveel betekent als: de wet overtreden), en het zoeken deels uitbesteden aan ons nota bene. We werden aan het lijntje gehouden, zo voelde het. Het lijkt een strategie om je af te schrikken van Wobben. Dat lag niet aan individuen, maar aan het overheidssysteem dat eerder ingesteld is op vertraging dan een snelle en efficiënte zoektocht.

Gebaseerd op de soorten documenten die we kregen – en vooral ook die we niet kregen, lijkt het archief van MinFin erg mager. Worden er zoveel dingen niet opgeschreven? Of is de documentatie er wel, maar wordt het niet gearchiveerd? Een cursus archivering zou geen weggegooid geld zijn.

Wobben bestaat deels ook uit een hoop juridisch geneuzel. Zonder Wob-expert hadden wij veel minder informatie boven tafel gekregen, daar ben ik van overtuigd.

Dat moet én kan anders

Dit is toch eigenlijk belachelijk? Elke burger in Nederland zou gemakkelijk toegang moeten hebben tot documenten die betrekking hebben op beleid dat hem of haar treft. Daar zouden geen weken, maanden overheen moeten gaan. Daar zou je geen juridische achtergrond voor nodig moeten hebben. En een overheidsinstantie zou niet meteen in de verdediging moeten schieten of strategieën uitvoeren die het proces bemoeilijken en de burger gedesillusioneerd achterlaat.  Sterker nog: Burgers zouden inzicht moeten hebben in welke documenten er zijn, en die met een druk op de knop of een simpele vraag op kunnen vragen. Kijk bijvoorbeeld naar Noorwegen waar het archief is gedigitaliseerd en je makkelijk kan zoeken naar onderwerpen of documenten die je nodig hebt.

Want zolang de Wob niet wordt aangepast, stelt dat ‘recht op informatie van de overheid’ niet zoveel voor.

Blijven Wobben

Tot slot: zou ik er nog een keer aan beginnen? Jazeker! Want door het Wob-verzoek hebben we nu meer informatie over de lobby van de belastingadviessector, de kwestie waar het ooit mee begon. En dat telt natuurlijk. Zo weten we op basis van die informatie dat het bedrijfsleven soms zodanig betrokken is bij de ontwikkeling van belastingbeleid dat het verdergaat dan ‘gewone’ lobby.

Bovendien heb ik de hoop dat hoe meer er geWobt wordt, hoe meer de overheid zal inzien dat het meteen openbaar maken van documenten (zoals agenda’s of gespreksverslagen) pas écht een goed idee is. Ons (en een hele hoop ander!) onderzoek laat zien hoe belangrijk het is dat deze overheidstransparantie er is: het stelt onderzoekers en journalisten in staat om overheden en bedrijven tot verantwoording te roepen als dat nodig is en op die manier hun maatschappelijke rol te vervullen in een democratie. Dat is des te belangrijker in deze tijd waarin feitenvrij nieuws hoogtij viert.

Dus het advies is: blijven Wobben. (En doe misschien tegelijkertijd een cursus anger management. Je zult het nodig hebben).