Nederland is een verdragsparadijs. Via Nederland worden belastingen in andere landen ontweken. Ontwikkelingslanden lopen daardoor belastinginkomsten mis, die essentieel zijn voor hun ontwikkeling. Nu Nederland inzet op uitbreiding van het belastingverdragsnetwerk met ontwikkelingslanden zou het daarom goed zijn nieuwe belastingverdragen eerst onafhankelijk te laten toetsen op de mogelijke gevolgen voor ontwikkelingslanden, vóórdat tot onderhandelen wordt overgegaan.

Na de zomer is de Eerste Kamer aan zet een dergelijke toets af te dwingen bij de behandeling van staatssecretaris Weekers’ Notitie Fiscaal Verdragsbeleid.

Dat Nederland een verdragsparadijs is, blijkt onder meer uit een recente publicatie van de Nederlandsche Bank. Volgens DNB is Nederland wereldwijd koploper als het gaat om de omvang van inkomende en uitgaande directe investeringen.Nederland neemt zo’n 18% van het wereldwijde totaal voor zijn rekening, goed voor $3700 mrd. Terecht merkt DNB op dat dit voor een groot deel komt door het gunstige fiscale stelsel van Nederland.

DNB vergelijkt ons land met belastingparadijzen als Luxemburg en Zwitserland. Naar deze landenwordt geld gesluisd om te worden opgepot. Ze kenmerken zich door geheimhouding en/of zeer lage belastingtarieven. Nederland kent geen bankgeheim en staat ook niet bekend om lage
belastingtarieven. Wel om zijn netwerk van belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belastingen. Voor reële economische activiteiten zijn dit prima verdragen. Maar zoals DNB ook aangeeft, worden de inkomende en uitgaande investeringen gedomineerd door Bijzondere Financiële
Instellingen (BFI’s). Dit zijn ondernemingen die zich vanwege het gunstige (fiscale) vestigingsklimaat in Nederland gevestigd hebben om te fungeren als financiële draaischijf voor ondernemingen met een buitenlandse moedermaatschappij. In gewone mensentaal: doorsluisfirma’s, waaronder veel brievenbusmaatschappijen. Dat deze bedrijven worden gefaciliteerd, maakt van Nederland een verdragsparadijs.

In feite is het grootste deel van de Nederlandse investeringenportefeuille daarmee een verzameling van doorgesluisde investeringen uit het buitenland.

Staatssecretaris Weekers van Financiën zet in op uitbreiding van het verdragennetwerk met ontwikkelingslanden. Een van de argumenten die hij aanvoert, is dat zo investeren in ontwikkelingslanden aantrekkelijker wordt en de bedrijvigheid in de betreffende landen wordt vergroot. Er is echter geen bewijs dat belastingverdragen leiden tot een toename van de totale buitenlandse directe investeringen in een land. Wel zorgt een belastingverdrag met Nederland voor een verschuiving van rechtstreekse investeringen uit andere landen naar investeringen via Nederland. En op basis van het belastingverdrag loopt de verdragspartner bronbelastingen mis, die hij normaliter wel kan heffen.

Met andere woorden: een belastingverdrag met Nederland leidt niet zozeer tot meer investeringen, maar vooral tot andere investeringsroutes.

Voor de zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden is het van groot belang dat de belastinginningscapaciteit vergroot wordt. Daar zet Nederland ook terecht op in. Deze capaciteitsopbouw wordt echter deels tenietgedaan, wanneer geldstromen wegvallen door het afsluiten van een belastingverdrag met Nederland.

Koos de Bruijn en Albert Hollander zijn respectievelijk coördinator en voorzitter van Tax Justice Nederland. SOMO is lid van Tax Justice Nederland.

(dit artikel is verscheen in Het Financieele Dagblad van 20 augustus 2011, copyright Het Financieele Dagblad)