Tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer op 18 november 2010 pleitte SOMO voor een structurele oplossing (regelgeving) voor het gebrek aan ketenverantwoordelijkheid en -transparantie bij de in Nederland opererende energiebedrijven. SOMO gaf als een van de ‘gehoorde’ experts, haar visie over de herkomst van kolen bij de genoemde energiebedrijven, gebaseerd op nieuw onderzoek rond Sustainability in the Power Sector (Europa, België en Nederland). Het rapport hierover wordt binnenkort gelanceerd.

Onderstaand het betoog van SOMO-onderzoeker Joseph Wilde:

"Afgelopen zomer heeft SOMO onderzoek gedaan naar het inkoopbeleid van de in Nederland opererende elektriciteitsbedrijven. Wij hebben zeven bedrijven gevraagd om openheid te geven over de herkomst van de kolen, biomassa en uranium die zij gebruiken, en welke criteria zij hanteren bij de inkoop ervan. Uit het onderzoek blijkt dat de manier waarop de verschillende bedrijven hun brandstofketens beheersen zeer verschillend is, en dat de bedrijven in het algemeen nog weinig doen aan het meer duurzaam en transparant maken van hun grondstoffenstromen.

Hoewel de meeste bedrijven zeggen hun verantwoordelijkheid voor de omstandigheden in brandstofketens te erkennen, doen ze nog weinig concreets om deze verantwoordelijkheid waar te maken in de kolenketen. Een aantal bedrijven zegt sociale en milieucriteria te gebruiken in de selectie van kolenleveranciers, maar de implementatie blijft vaag en geen van de bedrijven neemt dergelijke criteria op een structurele manier mee in contracten met leveranciers. Criteria zoals prijs en technische kwaliteit van de kolen zijn hier veel belangrijker.

Vier van de zeven bedrijven maken geen gebruik van onafhankelijke audits van de kolenmijnen, of gaven geen informatie over auditing. De bedrijven Dong, E.ON, en Vattenfall maken wel gebruik van onafhankelijke audits van kolenmijnen, maar alleen E.ON kon gedetailleerde informatie over de locatie en het proces van de audits geven. Eneco doet ook aan onafhankelijke audits in haar brandstofketens, maar deze bevatten geen kolen.

Drie van de zeven bedrijven, te weten Dong Energy, RWE/Essent en E.ON hebben op landniveau inzicht gegeven in de herkomst van hun kolen. De andere bedrijven maken in het geheel niet bekend uit welke landen hun steenkool komt. Van de bedrijven die geen inzicht gaven, gaven een aantal aan dat dit vertrouwelijke informatie betrof, terwijl een aantal anderen geen gehoor gaven aan ons verzoek. Welke reden deze laatste groep ook had om geen transparantie te verschaffen over de herkomst van hun kolen, ze kunnen in ieder geval niet zeggen dat het onmogelijk is om hier inzicht in te krijgen. Want als sommige bedrijven het kunnen, waarom zou dit dan onmogelijk zijn voor andere bedrijven?

Dat er ernstige mensenrechten en milieuproblemen zijn in de productieketens van producten die in Nederland te koop zijn, en dat er te weinig transparantie is in deze ketens, is de Twee Kamer al bekend. In afgelopen maanden zijn er onder andere Kamervragen gesteld over misstanden in de kleding-, hazelnoot-, cacao-, katoenzaad-, en kolenketen. Dergelijke misstanden vinden ook plaats in andere ketens, zoals bijvoorbeeld die van uranium die in Nederland wordt verrijkt en in de kerncentrale in Borssele wordt gebruikt. De Kamervragen komen meestal naar aanleiding van berichten over misstanden in de media en worden dus op een ad hoc manier in de Kamer besproken en behandeld. Terwijl het grote aantal gevallen en het feit dat problemen regelmatig door NGO’s of de media naar voren wordt gebracht, aangeeft dat er een structureel probleem bestaat met de implementatie van ketenverantwoordelijkheid en –transparantie. De Kamer zou het probleem dus ook structureel aan moeten pakken.

Een belangrijk onderdeel van zo’n structurele aanpak is uiteraard het blijven bevorderen van de vrijwillige MVO-initiatieven van de bedrijven. Ook zou Nederland zich meer kunnen inzetten voor een sterkere supply chain provision in internationale MVO-instrumenten zoals de OESO-richtlijnen voor Multinational Ondernemingen, die op dit moment worden herzien.

Maar vrijwillige initiatieven zijn niet genoeg – het structureel aanpakken van misstanden in ketens moet in wetgeving vastgelegd zijn. Het Protect, Respect, Remedy framework van Special Representative John Ruggie kan hierin richting geven. Om de pilaren van het Ruggie framework nog beter te verbinden, stelt SOMO bijvoorbeeld voor om het verplicht rapporteren over sociale en milieukwesties in de keten op te nemen in wetgeving. Met een dergelijke verplichting voor bedrijven kunnen overheden hun ‘state duty to protect’ vormgeven, en wordt tegelijkertijd de corporate responsibility to respect gestimuleerd. In eerste instantie zou dit een verplichting kunnen zijn voor beursgenoteerde bedrijven met een minimum omzet (om ervaring op te doen), waarna de verplichting langzaam uitgebreid kan worden naar andere bedrijfsvormen. Dit zou leiden tot een level playing field voor alle bedrijven en zou consumenten de mogelijkheid geven om een duurzame en verantwoorde keuze te maken.

De Motie Van Dam van 18 november 2009 is in deze zin een stap in de goede richting. Een ander voorbeeld komt uit de Verenigde Staten, waar afgelopen juli de Dodd-Frank Financial Reform Bill is aangenomen. Deze bill omvat, onder andere, een verplichting voor bedrijven om aan te geven of zij grondstoffen gebruiken die afkomstig zijn uit de Democratische Republiek Congo. Als gevolg van deze wetgeving laat bijvoorbeeld de elektronicasector zien dat het mogelijk is om te achterhalen waar grondstoffen vandaan komen, en om bepaalde criteria aan het gebruik van deze grondstoffen te stellen. Ook vereist de Dodd-Frank Bill van energie- and mijnbouwbedrijven die geregistreerd staan aan de U.S. Securities and Exchange Commission door te geven hoeveel zij betalen aan buitenlandse regeringen en de U.S. voor olie, gas en mineralen. "