Rodrigo Fernandez en Roos van Os

De afgelopen jaren heeft SOMO verschillende rapporten gepubliceerd over het Nederlandse vestigingsbeleid en belastingverdragen. Deze rapporten zijn medebepalend geweest in het publieke debat van de laatste maanden over internationale belastingontwijking door bedrijven en de verantwoordelijkheid van Nederland hierin. Het onderstaande opiniestuk dat ook verscheen in het Nederlands Dagblad op 26 oktober 2013 is een reflectie op de recente beleidsontwikkelingen van het Ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Het publieke debat over belastingontwijking door multinationals bevindt zich op een keerpunt. Eindelijk erkent ook het kabinet dat Nederland een belangrijke en problematische rol in deze kwestie speelt. Dat is een enorme stap voorwaarts. Het ‘actieve fiscale vestigingsbeleid’ was tot voor kort bovenal een belangrijke pilaar van het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. Gezien de halsstarrige houding van staatssecretaris Weekers (Financiën) in het verleden, lijkt minister Ploumen een voorname rol te spelen in het serieus agenderen van deze situatie, waarvoor alle lof.

Alleen, de minister lijkt niet van plan de honderdtachtig graden te draaien die haar beleid historische betekenis zou geven. Mede onder invloed van de lobby van de trustsector, blijft het op dit moment bovenal bij kosmetische ingrepen die voor de buitenwereld wellicht vooruitstrevend lijken, maar in de praktijk onvoldoende inhoud hebben.

Gemis aan belastingopbrengsten

Nederland is naar verhouding het grootste doorvoerland voor kapitaal in de wereld. Multinationals worden door Nederlands beleid in staat gesteld om op immense schaal met winsten te schuiven om zo belasting te ontwijken. De wat flauwe vraag of je Nederland wel of geen ‘belastingparadijs’ wilt noemen, doet aan die materiële realiteit niets af.

Het gemis aan belastingopbrengsten door deze belastingontwijking is spectaculair en vormt, zeker in crisistijd, een zware wissel op overheidsinkomsten en daarmee potentieel ook op publieke voorzieningen. Het totale verlies binnen de EU wordt geschat op 150 miljard euro per jaar door de Europese Commissie. Voor Nederland komt dit neer op een verlies van 8 miljard euro per jaar. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) verliezen ontwikkelingslanden drie keer zoveel geld aan belastingparadijzen als het geld dat zij jaarlijks aan ontwikkelingshulp ontvangen. Hiermee is belastingbeleid een belangrijker werkveld voor minister Ploumen dan het beheer en verdelen van hulpgelden.

De opbrengsten gaan naar een kleine groep multinationals, terwijl de kosten van dit perverse systeem worden gedragen door het midden- en kleinbedrijf die dergelijke ontwijkingstrucs niet tot hun beschikking hebben. Ook is er nationaal en internationaal een verschuiving zichtbaar van belasting op kapitaal, naar belasting op arbeid en consumptie. Overheden faciliteren internationale bedrijven, terwijl werknemers en consumenten de dalende belastinginkomsten moeten compenseren.

Vestigingseisen

De door het kabinet voorgestelde maatregelen zijn helaas verre van afdoende. Het plan dat de coalitie presenteert, vormt geen serieus antwoord op het probleem van grootschalige belastingontwijking in Nederland. Het kabinet verzuimt bijvoorbeeld om vestigingseisen aan te scherpen. Dit zijn de voorwaarden waaraan bedrijven moeten voldoen om gebruik te mogen maken van de mogelijkheden die het Nederlandse fiscale stelsel biedt. Op dit moment is het voor multinationale bedrijven heel simpel om aan deze eisen te voldoen zonder daadwerkelijk materiële economische activiteiten in Nederland te hebben.

De Nederlandse trustbedrijven doen alles, huren bestuurders voor in, openen een bankrekening, vullen de blauwe enveloppen en zorgen voor een brievenbus. Het is van essentieel belang dat deze vestigingseisen worden aangescherpt zodat investeringen ook leiden tot reële activiteiten die vervolgens ook echt belast kunnen worden. Maar het is nog belangrijker dat geldstromen waaronder en rente en royalty’s die vanuit Nederland naar belastingparadijzen vloeien, belast worden. Met één pennenstreek kunnen Ploumen en Weekers hier een einde aan maken en is een groot deel van het probleem opgelost.

Bilaterale belastingverdragen

Ook geeft de minister aan dat Nederland haar bilaterale belastingverdragen met ontwikkelingslanden wil aanpassen door antimisbruikbepalingen toe te voegen. Echter de effectiviteit van dergelijke bepalingen is ontoereikend blijkt uit onderzoek dat het IBFD in opdracht van het kabinet uitgevoerde. Minister Ploumen zou, in navolging van de OESO, moeten erkennen dat bilaterale verdragen niet meer van deze tijd zijn en leiden tot schadelijke belastingconcurrentie. Er moet binnen de Verenigde Naties, waar ook ontwikkelingslanden aan de tafel zitten, multilateraal onderhandeld worden over dit soort verdragen.

Sinds haar aantreden heeft Minister Ploumen laten zien dat ze de problemen rondom belastingontwijking inziet en zich wil inzetten voor concrete oplossingen. Alleen, de weerstand is groot, niet in de laatste plaats van haar directe collega’s in het kabinet die nog steeds veronderstellen dat de Nederlandse concurrentiepositie baat heeft bij een schaduweconomie van brievenbusbedrijven. Dit is niet alleen een immoreel uitgangspunt, het is bovendien een misvatting. Een sterke concurrentiepositie bestaat uit duurzame en reële bedrijvigheid, waarbij belasting een essentieel onderdeel zijn van eerlijke en gezonde bedrijfsvoering.