De 20 procent groene energie die Nederland voor 2020 nastreeft, wordt niet gehaald. In Engeland gebeurt het. Negen energieconsortia kregen vorige week concessies voor de bouw van reusachtige en iets minder reusachtige (maar nog steeds enorme) windparken op zee. In één klap willen de Engelsen hun achterstand in groene energie ombuigen in een voorsprong.

De getallen zijn duizelingwekkend. De plannen tellen op tot 32 duizend megawatt. Dat zijn zesduizend windturbines van de grootst verkrijgbare soort. Dat zijn zesduizend bijna-Euromasten. Dat is 110 miljard euro. Dat is bijna 2.000 euro per Brit. Dat is genoeg om een kwart van de elektriciteit te vergroenen.
Indrukwekkend. En toch: máár een kwart van de elektriciteit. Omdat elektriciteit slechts eenvijfde deel uitmaakt van het totale energieverbruik in het Verenigd Koninkrijk, leveren die windmolens straks maar 5 procent van alle energie. Ofwel: 95 procent komt nog steeds van elders.

Als de Britse plannen dus één ding bewijzen, is het dat de vergroening van de energiehuishouding ontzaglijk veel geld en moeite gaan kosten. Dit is nog maar het begin. Als je, zoals Nederland wil, in 2020 20 procent van de energie duurzaam produceert, moet je nog veel harder aan de slag.
Daarom de vraag: hoe staat Nederland ervoor? En: welke energiebedrijven zijn goed bezig, en welke niet?

Om 20 procent van de totale energie in Nederland te verduurzamen, heb je zo'n 35 procent groene stroom nodig. Op dit moment wordt in Nederland 8 procent van de elektriciteit duurzaam opgewekt. Om dat percentage omhoog te krijgen, moeten de energiebedrijven dus flink investeren in nieuw groen vermogen. Volgens Frans Rooijers van CE Delft, dat veel energieadviezen geeft aan de overheid, staat over tien jaar nog steeds tweederde van de huidige (grijze) stroomcentrales overeind. Om de rest (35 procent) groen te krijgen, zou bijna al het geld naar duurzaam moeten gaan. Dus stelden we drie vragen aan de grote energiebedrijven die in Nederland actief zijn. Hoeveel investeert u tot 2020 in nieuwe energie-installaties? Welk deel daarvan is groene energie? En welk deel van die investeringen gebeurt in Nederland?

Het blijken lastige vragen. Van de benaderde concerns kunnen alleen Essent en Nuon, vorig jaar overgenomen door respectievelijk het Duitse RWE en het Zweedse Vattenfall, concrete cijfers noemen over hun Nederlandse investeringsprogramma. De andere kunnen alleen iets zeggen over hun Europese of wereldwijde plannen (Dong, Eon), of houden zich op de vlakte (Delta, Electrabel).
Om dat te ondervangen, hebben we ook gekeken naar cijfers die de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) heeft kunnen destilleren uit de plannen en aankondigingen van de energiebedrijven. Probleem is wel dat die cijfers voor heel Europa gelden en niet zijn uitgesplitst naar Nederland. Bovendien zijn alle harde en minder harde voornemens van de energiebedrijven erin opgeteld. Ze kunnen volgens auteur Joseph Wilde-Ramsing een te rooskleurig beeld geven.

RWE, nu met slechts 5 procent duurzame stroom de vuilste aanbieder van Nederland, is het meest concreet in zijn ambities. Het investeert tot 2012 zo'n 6,5 miljard euro per jaar in nieuwe energiebronnen in Europa. Het bedrag dat RWE in hernieuwbare energie wil steken, is gemiddeld 1 miljard euro per jaar, ofwel zo'n 15 procent. Van de 5 miljard euro die de Duitsers de komende jaren in Nederland investeren, zal rond 1 miljard naar een windpark in zee gaan - als ze hier een concessie krijgen. Dat is dus 20 procent van de totale investeringen.

Vattenfall, moederbedrijf van Nuon, is dankzij de Zweedse waterkrachtcentrales een van de groenste elektriciteitsproducenten van Europa. In de SOMO-cijfers gaat Vattenfall van 32 procent groene stroom nu naar 37 als het bedrijf zijn windplannen weet te verwezenlijken. In Nederland is dat percentage echter onhaalbaar. Vattenfall-dochter Nuon bouwt een grote kolenvergasser van 1.200 megawatt, en twee gascentrales van samen 900 megawatt. Aan windparken op zee en op land is circa 500 megawatt gepland. In vermogens gerekend is dat dus 20 procent duurzaam. Dat percentage is aan de hoge kant, omdat windmolens met een (piek)vermogen van 500 megawatt minder stroom leveren dan kolen- of gascentrales van 500 megawatt.
Andere in Nederland actieve bedrijven geven geen concrete getallen. Eneco wijst alleen op de strategie, die in het jaarverslag vermeld is, en op het windpark dat het net in Engeland in de wacht heeft gesleept. In de cijfers van SOMO steekt Eneco gunstig af, met een duurzaam vermogen dat oploopt tot meer dan 50 procent. Eneco is echter een kleine speler, en hoeveel groen vermogen in Nederland wordt neergezet, is onduidelijk.

'Pretty relevant questions', mailt een woordvoerder van het Deense Dong. Het bedrijf wil zijn huidige windvermogen van 800 megawatt tot 2020 verdrievoudigen, maar zet ook sterk in op nieuwe kolencentrales. Daardoor neemt het aandeel duurzame elektriciteit in totaal zelfs af. In Nederland kan Dong een redelijk groen gezicht krijgen, als het hier een groot windpark op zee mag bouwen. Daarnaast steekt het echter geld in een gascentrale op de Maasvlakte.
Het grote Duitse concern Eon, dat een nieuwe kolencentrale in Nederland bouwt, is ronduit negatief over de Nederlandse situatie. 'Als we naar al onze investeringen in hernieuwbare energie kijken, valt op dat Nederland niet in het rijtje van locaties voorkomt', zegt een woordvoerder. 'Het Nederlandse investeringsklimaat is niet gunstig. Te veel fluctuaties in het beleid en in subsidies. Ook andere bedrijven zullen hun investeringen hier goed afwegen.'
Zo bezien lijkt een gemiddelde investering van 20 procent in duurzame elektriciteit in Nederland een bovengrens. Het doel (35 procent) is met de plannen van deze bedrijven onhaalbaar.

Verplichten of niet?
De afgelopen weken klonken steeds meer geluiden om energiebedrijven te verplichten hun aandeel duurzame energie te vergroten. Onder meer Theo Walthie en Jan Terlouw, mannen die in zogeheten regieorganen Nederland naar een groenere energiehuishouding moeten voeren, zeggen dat Nederland zonder verplichte percentages voor de bedrijven nooit aan de (Europese) vergroeningseisen zal kunnen voldoen.
Andere landen kennen zo'n systeem al. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld moeten energieleveranciers bijna 10 procent van de door hen geleverde stroom uit (binnenlandse) groene bronnen betrekken. Het begon in 2003 met 3 procent, en loopt op naar 15 procent in 2015. De stroombedrijven presenteren zogeheten roc's, renewable obligation certificates, die zij verdienen met bijvoorbeeld de bouw van windmolens. Wie die niet heeft, betaalt een boete. Klinkt mooi, alleen worden de boetes teruggesluisd naar de energiebedrijven zelf. Die worden er nauwelijks slechter van. Het systeem werkt nauwelijks.


Bron: de Volkskrant, 16 januari 2010