'Justice for...' by Justin Baeder, CC BY 2.0Foto: 'Justice for...' by Justin Baeder, CC BY 2.0

door Mariëtte van Huijstee

Begin maart kwam in Genève de VN Mensenrechtenraad bijeen en in Den Haag kwam de Kamercommissie ‘Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking’ samen voor een Algemeen Overleg. De agenda’s van die bijeenkomsten hadden één overeenkomst: een internationaal bindend VN-verdrag dat alle wereldburgers effectiever moet beschermen tegen mensenrechtenschendingen door bedrijven. Of het nu gaat om arbeidsomstandigheden, milieuschade of landroof; multinationals zouden onder het verdrag aan bindende regels gehouden worden. Een dergelijk verdrag is nodig om te zorgen dat de internationale rechtsorde de aansluiting met de globale economische realiteit hervindt.

Vorige maand oordeelde het Britse hof dat Nigeriaanse gemeenschappen uit de Nigerdelta Shell niet kunnen aanklagen voor ernstige vervuiling veroorzaakt door haar Nigeriaanse dochteronderneming, Shell Petroleum Development Company (SPDC). De Britse rechters oordeelden, niet unaniem, dat Shell N.V. niet aansprakelijk is voor de vervuiling door haar dochteronderneming en dat de slachtoffers in Nigeria een zaak tegen SPDC zouden moeten aanspannen. In gerelateerde zaken kwamen de Nederlandse rechters (in “Dooh & Milieudefensie v. Shell & SPDC”) en EU-rechters (in “Shell Petroleum NV v. European Commission”) juist tot de conclusie dat Shell beslissende invloed heeft als moederbedrijf en daarmee juridisch aansprakelijk is. Het Nigeriaanse rechtssysteem biedt weinig hoop; complexe zaken als deze kunnen 20 jaar in beslag nemen; “beyond catastrophic”, aldus een Britse rechter in de zaak “IPCO Limited v NNPC”. Erkenning en genoegdoening voor de slachtoffers blijft uit, na jarenlang slepende rechtszaken.

Als medewerkers bij SOMO zien we te vaak hoe slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen geen of beperkte toegang hebben tot juridische middelen in zaken tegen multinationale ondernemingen. De internationale structuur van multinationale ondernemingen zorgt ervoor dat discrepanties tussen verschillende jurisdicties kunnen worden uitgebuit. Gezien de voortschrijdende globalisering, roept dit de vraag op hoe multinationale ondernemingen aangesproken kunnen worden op schendingen over de landsgrenzen? Veel staten willen hun nationale wetgeving niet aanpassen; strengere wetten kunnen het investeringsklimaat en hun concurrentiepositie verslechteren ten opzichte van landen die geen maatregelen treffen. Een internationaal juridisch bindend verdrag daarentegen kan een basis vormen voor staten om collectief te handelen en een ‘level playing field’ te creëren.

Tegenstanders van een VN-verdrag hanteren vaak het argument dat wetgeving de consensus omtrent de niet-bindende UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s), die in 2011 door de VN in het leven geroepen zijn, in gevaar brengt. Wij zien dit als een valse tegenstelling. De UNGP’s verschaffen bedrijven en staten richtlijnen over verantwoord handelen ten opzichte van mensenrechten. Echter, zoals het woord ‘richtlijnen’ al suggereert, zijn ze voor bedrijven vrijblijvend en ontbreekt het aan juridische dwang. Een eventueel juridisch bindend verdrag is het sluitstuk dat de UNGP’s effectief maakt om daadwerkelijke verandering in gang te zetten.

De EU heeft tot nu toe een afwachtende en weinig positieve houding aangenomen in het VN-verdragsproces en dat is onbegrijpelijk voor de derde economie ter wereld die zich graag als voorvechter van mensenrechten profileert. Dit zwakke optreden staat in schril contrast met het pro-actieve optreden van de EU in het aangaan van handels- en investeringsverdragen. In deze verdragen wordt het principe van investeerder-staatsarbitrage (ISDS) opgenomen, wat wél bindende uitspraken doet voor staten en bedrijven, en bedoeld is om buitenlandse investeerders te beschermen tegen de ‘grillen’ van hun gastland. Consequentie: investeerders worden internationaal rechterlijk beter beschermd dan burgers.

Tijdens het Algemeen Overleg van de commissie ‘Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking’ sprak Minister Sigrid Kraag gelukkig haar steun uit voor het proces dat moet leiden tot een bindend VN-verdrag. Wij zijn blij met deze toezegging, aangezien Nederland de afgelopen jaren geen kleur bekende en zich verschuilde achter de EU. De Minister gaf ook aan dat er nog veel obstakels te overwinnen zijn voordat er sprake is van een werkbaar verdrag. Dat klopt, en daarom roepen we de Nederlandse regering op om in Europa een voortrekkersrol te vervullen en zich in te spannen om tot een effectief verdrag te komen waar slachtoffers van mensenrechtenschendingen door bedrijven baat bij hebben.