John Ruggie, de speciale VN-vertegenwoordiger voor mensenrechten en bedrijfsleven, heeft de definitieve Guiding Principles gepresenteerd. Organisaties als SOMO kunnen daarmee overheden en bedrijven verantwoordelijk houden wanneer deze hun mensenrechtenbeleid veronachtzamen. Voor deze richtlijnen bestaat een groot draagvlak onder diverse stakeholders; afdwingbaar zijn de principes niet. In juni moet de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties de aanbevelingen van Ruggie goedkeuren.

Met die goedkeuring zou een einde komen aan een mandaat van vijf jaar waarin de VN-vertegenwoordiger werkte aan zijn Guiding Principles for the Protect, Respect and Remedy Framework. “Ruggie heeft een discours op gang gebracht over de rol van het bedrijfsleven in het respecteren van mensenrechten dat breed wordt gedragen door overheden, bedrijven, vakbonden en maatschappelijke organisaties”, zegt SOMO-onderzoeker Mariëtte van Huijstee.
“Het framework is helaas niet afdwingbaar; zowel overheden als bedrijven kunnen onder de ambities achter het framework uit”, vervolgt Van Huijstee. “Dat is de politieke en institutionele realiteit die Ruggie niet heeft proberen te veranderen; er is geen globale entiteit om het bedrijfsleven te reguleren.”

Klachtenmechanismen

Veel hangt af van de ambitie waarmee overheden en bedrijven de Guiding Principles in de dagelijkse praktijk toepassen. Als ze in de geest van de richtlijnen handelen, kunnen er meer effectieve klachtenmechanismen voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen ontstaan, verwacht Van Huijstee. “Ondanks de ambitieuze geest van de principes, zijn sommige richtlijnen helaas ook voor een andere uitleg vatbaar. Zo blijft bij principe 14 onduidelijk wat precies de invloed is van het type bedrijfsvoering (individueel of groep) op de verantwoordelijkheid van de onderneming voor mensenrechten.”

SOMO en het MVO Platform (dat SOMO coördineert) hebben de afgelopen jaren op verzoek inhoudelijke reacties geschreven op de aanbevelingen van Ruggie. “SOMO heeft - niet alleen overigens - ingezet op ketenverantwoordelijkheid en transparantie (principes 13,17,18 en 21). Al wordt het daar niet zo expliciet en helder beschreven als we hadden gewild.” Volgens Van Huijstee zijn op andere plaatsen meer expliciete en richtinggevende formuleringen overgenomen.

Verstrikt in rechtenschendingen

SOMO kan zich ook niet aan de indruk onttrekken dat de bedrijvenlobby succesvol is geweest. Anders dan in de ontwerpversie zijn onder ‘Issues of context’ principes 23 en 24 toegevoegd. Van Huijstee: “Principe 24 behelst dat wanneer een bedrijf zich geconfronteerd ziet met de noodzaak tot verschillende acties om de negatieve effecten van haar bedrijfsvoering aan te pakken, zij moet kunnen prioriteren. Stel je voor, dat een bedrijf verstrikt raakt in zoveel mensenrechtenschendingen, dat ze een prioriteitenlijstje moet maken… Het lijkt me dat we dergelijke situaties sowieso moeten vermijden.”

Nederlandse ‘staatsbanken’

Als de VN-Mensenrechtenraad de Guiding Principles in juni goedkeurt, is volgens de maatschappelijke organisaties de toepassing ervan kritisch. “Als Nederland de Guiding Principles implementeert, dienen de door de overheid gesteunde banken een grondig onderzoek naar mensenrechten uit te voeren, dat investeerders en beleggers alle informatie op dat gebied verschaft”, stelt Van Huijstee. “Op zo’n onderzoek, dat verstrekkende gevolgen heeft voor de investeringen en beleggingen van een bank, dringen maatschappelijke organisaties al jaren aan.“

meer over de Guiding Principles bij Business & Human Rights Resource Centre >