Zaterdag 14 mei

De nacht van vrijdag op zaterdag is de enige die we buiten Nairobi doorbrengen. Het Tea Hotel in Kericho is de ultieme vorm van vergane glorie. Een chique oprijlaan, grote en kleine lounges op de begane grond, een mooi terras en een prachtige tuin met uitzicht op de theevelden. Ook de hotelkamers zijn ruim bemeten, het is een minuut lopen van de ene naar de andere kant. Maar…. de kip is taai, het behang hangt in flarden langs de wanden, het schuimplastic steekt uit de stoelen, de lakens voelen aan alsof er al driehonderdduizend mensen voor jou tussen hebben gelegen en ’s ochtends kost het de grootst mogelijke moeite om nat te worden tijdens het douchen.

Niettemin zitten wij opgewekt om 8 uur in een zaaltje bij Unilever: het begin van een dag over de theesector, een zeer belangrijk exportproduct voor Kenia. Hoewel India en China een veel hogere theeproductie hebben is Kenia het echte exportland. Egypte, Pakistan, de EU: overal gaat het naar toe. Thee wordt geproduceerd in plantages, zoals bij Unilever, en door kleine boeren. Tot de onafhankelijkheid in 1963 werden kleine boeren niet geacht thee te verbouwen. Nu produceren ze bijna 1,5 keer zoveel als de plantages. De velden zien er prachtig uit, één golvend groen tapijt is het. Overal zijn groepjes plukkers bezig. Ze plukken de bovenste twee of drie blaadjes. Als je de thee niet zou plukken en snoeien, worden het bomen.

Unilever is één van de grote spelers in de Keniaanse thee, o.a. via bekende merknamen als Lipton. We krijgen een goed, beknopt overzicht van de theesector, maar daarna dreigt de powerpointitis toe te slaan. De bijdragen worden vager, de lettertjes geel en de inhoud technisch. SP-ers willen natuurlijk weten hoe het gesteld is met de rechten van de vele duizenden werkers op de plantages. Temeer daar de stichting SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen) binnenkort een rapport uit zal brengen waarin allerlei misstanden naar voren komen. Zo zou langs etnische lijnen worden geworven en worden van ondergeschikten geld en seksuele diensten verwacht in ruil voor een contract of andere privileges. Ewout gaat er met gestrekt been in wat leidt tot een goede discussie. Unilever realiseert zich dat deze problemen zich voor kunnen doen, heeft ze ook in kaart gebracht en oplossingen aangedragen en doet ook zichtbaar van alles om de sociale omstandigheden voor de medewerkers op goed niveau te brengen.

Wij onthouden ons van een conclusie. Net als bij het theebedrijf: we zijn passanten, we hebben geen gelegenheid met groepen plukkers te praten, we spreken het topkader en die willen jou vertellen hoe succesvol de zaken verlopen. In de auto praten we met Winnie. Ze is van de Rainforest Alliance. Dit keurmerk ziet toe op het naleven van zowel duurzaamheid van de teelt als op de sociale omstandigheden. Hieronder valt ook de samenwerking met boeren in de regio. Aangezien dit in orde was bevonden mag Unilever nu dit keurmerk voeren.

We rijden over glibberige weggetjes van rode aarde en komen aan bij John Tanui, een theeboer. Zijn bedrijfje is een lust voor het oog. Want naast een veldje met thee, staan er bananen, maïs, suikerriet, kool, cassave en hij heeft ook een koe. Het is een kruising tussen een lokale zeboe en een Fries. De melk verkoopt hij. Uiteindelijk komen we bij de theefabriek aan. Hier brengen de boeren hun groene blaadjes naar toe. De thee wordt gewogen en ze krijgen een bon mee. In de fabriek, gerund door de Kenya Tea Development Agency (KTDA), wordt de groene thee gedroogd, vermalen en verpakt, waarna de reis naar Mombasa kan beginnen: op naar de exportmarkt. KTDA is een echte boerenorganisatie, vroeger van de staat, nu van boeren voor boeren. Enthousiast aanvaarden we de lange reis terug naar Nairobi. Wie goed kijkt ziet in de achteruitkijkspiegel een tevreden ogende fractieleider.

'Dit artikel verscheen eerder op de SP-site'

Bron: SP